De kunst van de witregel
Transcript van de opname:
Ja, laten we het hebben over de witregel. Een leesteken dat de meeste mensen niet eens ervaren als een leesteken. Komma’s, vraagtekens, dat zijn leestekens, toch? Nou, ook lege ruimtes kunnen dat zijn.
Er zijn twee soorten. De eerste is de standaard witregel. Je drukt na élke alinea twee keer op enter. Of je hebt in je tekstverwerker wat zitten rommelen met de eigenschappen van alinea’s, waardoor telkens als je één keer op enter drukt, er een grotere witte ruimte verschijnt dan gewoonlijk tussen regels.
Deze standaard witregel is heel gebruikelijk online en wordt ook steeds populairder in artikelen en boeken. Het bevordert de leesbaarheid. De alinea is nog helderder te onderscheiden. Dat worden nog duidelijker losse blokjes.
Het kan ook te los worden, dat is het nadeel. Je alinea’s worden dan eilandjes die weinig meer met elkaar te maken hebben. Alsof je elke keer aan een nieuwe tekst begint. Alinea’s die aan elkaar vast zitten, dat voelt geïntegreerder en dat leest lekkerder door.
En, dat is ook een nadeel – omdat na elke alinea al extra wit is, kun je niet meer nog meer extra wit gebruiken. Het andere soort witregel, de gewone witregel, valt dan eigenlijk weg. Daarover nu.
Transcript vervolgt onder afbeelding…
De gewone witregel is twee keer op enter drukken als je normaal één keer na een alinea doet. Opeens gaan dan de voorgaande alinea’s bij elkaar horen: drie, vier, vijf alinea’s worden een groepje. Dat is voor de lezer een extra handvat om de structuur van je tekst door te krijgen. Zo’n gewone witregel is voor het brein van je lezer een signaal om het voorgaande bij elkaar te voegen, even te ontspannen, het kortetermijngeheugen te legen en rustig verder te gaan met een nieuw onderwerp. Het werkt als een veelbetekende stilte tijdens een lezing.
In fictie doe je dit na een scène. Dus als je naar een andere tijd of plaats gaat, maar nog niet naar een nieuw hoofdstuk, dan zet je een witregel en voelt de lezer zelf aan dat een nieuwe scène begint.
In non-fictie begin je ook een soort nieuwe scène, maar dan inhoudelijker: je suggereert dat een nieuw onderwerp begint. Het is minder nadrukkelijk en stevig dan een paragraafkop, laat staan een hoofdstuktitel, en daarmee een extra tool om je lezer te helpen door je tekst te navigeren.
Witregels zijn ook vaak de plekken waar je lezers weer aanhaken. Ergens halverwege haken ze af – zeker weten, heel weinig non-fictie lezers lezen al je zinnen. Ze worden halverwege ongeduldig, vinden het te moeilijk worden, lezen iets overbekends. De witregel is dan een logische plek waar ze de draad weer proberen op te pakken.
De witregel is een navigatietool dus, zoiets als een afslag van een snelweg, maar het heeft ook een eigen esthetische waarde. Zeker tussenkopjes en streamers – die uitgelichte citaatjes uit je artikel in een magazine – voelen als rommel. Het zijn een soort zwaailichten, het doet pijn aan je ogen. De witregel is dan een subtiele, mooie manier om je lezer te helpen. Doen dus, om de drie tot, zeg, zeven alinea een witregel.