De huidige crisis in verbinding

Dit boek is begonnen bij een vuurtje en een karatetrap.

Eerst dat vuurtje. Ik zat daar met een goede vriend.[1] De zon ging onder, de hemel gloeide oranje. Voor ons lag een uitgestrekt weiland, zwaluwen buitelden door de lucht, een haas stuiterde in het gras. Op het rooster lagen twee dikke biefstukken. Ik ben vegetariër, maar als ik met een goede vriend een vuurtje stook, maak ik gretig een uitzondering. De rook was zoet, ik slikte mijn overtollige speeksel weg. We staarden zwijgend voor ons uit.

Perfect, zou je zeggen. En toch.

We kennen elkaar ons halve leven. Relaties gingen aan en uit, kinderen wilden niet komen en toen wel, familieleden stierven bijna en toen echt. We hebben elkaar honderden keren gesproken, veel gezwamd uiteraard, maar ook zo diep als maar kan. Dit keer hadden we, door allerlei omstandigheden, elkaar al een jaar niet gezien. Er was véél om bij te praten. Maar het wilde niet stromen. Hij begon een onderwerp, ik stelde een vraag, hij maakte een grapje, ik vertelde een gezamenlijke herinnering – telkens sloeg het dood en hoe briljant die biefstuk ook proefde en die ondergaande zon ook was, ik voelde me verloren en leeg.

Ik reisde diep in de nacht terug. Wat was er nu misgegaan? Hadden we elkaar te lang niet gezien? Was dit nog te herstellen of was onze vriendschap ergens afgelopen jaar gestorven? In de bus belandde ik naast een jongedame uit, zo bleek, Eritrea. Voorin werd geschreeuwd, iemand trapte als een mislukte karateka tegen de deur en toen die uiteindelijk opendraaide, schoot hij door en kukelde naar buiten. De vrouw naast me grinnikte en we raakten aan de praat. We spraken over het alcoholgebruik in ons land, de generatie onder ons die conservatiever leek dan onze leeftijdgenoten, hoe we allebei het geloof waarmee we waren opgevoed hadden losgelaten en toen iets nieuws hadden gevonden, hoe wonderbaarlijk het leven kan zijn.

Toen ik uitstapte, besefte ik: ik ken haar naam niet eens. Wat is hier gebeurd? Waarom lukte het met die oude vriend niet en vlak daarna met die onbekende passant wel? Het voelde ongrijpbaar, iets waar ik totaal geen controle over had. En werkelijk contact met iemand maken, echte verbinding ervaren, zul je ook nooit kunnen afdwingen. Juist als je het probeert te beheersen, zal het je ontglippen. Maar helemaal machteloos zijn we niet. Er zijn talloze manieren waarop je gesprekken kunt verknallen. Dan moeten er ook adviezen zijn hoe je ze kunt versoepelen en verdiepen.

Sinds een jaar of elf verzamel ik die adviezen. Bij de talloze gesprekken die ik voerde, met kennissen, vrienden, coachees, collega’s, lette ik extra op. Ik vroeg wat voor hen werkte en wat niet. Ik ploegde door stapels literatuur en onderzoeken heen. Honderden adviezen verzamelde ik, waarvan je er veel in dit boek terugvindt en die ik samenvatte tot negen regels (de negen hoofdstukken in dit boek) en een handzaam schema, het KLIK-model. Menselijke verbinding houdt altijd iets magisch, iets onvoorspelbaars. Er is geen stappenplan en geen garantie. Maar we kunnen onze gesprekken wel degelijk meer gaan begrijpen, bekende missers leren vermijden en betere gesprekspartners worden.

 

Een crisis in verbinding

Een goed gesprek voeren en werkelijke verbinding ervaren, is altijd belangrijk geweest voor mensen. Maar er spelen momenteel een aantal trends, die onze tijd bijzonder maken en waardoor het belangrijker is dan ooit.

•   Bijna de helft van de volwassenen voelt zich eenzaam, een kwart meer dan tien jaar geleden.[2] Toen Robert Putnam zijn beroemde onderzoek naar vriendschappen begon, hadden de meeste mensen drie goede vrienden. Toen hij het een generatie later afrondde: geen.[3] De Wereldgezondheidsorganisatie spreekt inmiddels over een eenzaamheidspandemie, want het is een groot en wereldwijd gezondheidsprobleem: eenzaamheid is even gevaarlijk als vijftien sigaretten per dag roken. De kans op depressie, dementie, hartaanvallen, overgewicht, kanker, diabetes, alcoholisme, slaapproblemen en kindermisbruik neemt tot wel de helft toe.

•   Het aantal mensen met een depressie is in ons land binnen tien jaar bijna verdubbeld.[4] Het aantal volwassenen met een psychische aandoening is van 1,9 naar 3,3 miljoen gestegen, vooral onder jongeren, van wie inmiddels bijna de helft psychisch lijdt. De belangrijkste verklaring is dat mensen zich vaker terugtrekken in hun eigen huis en minder diepgaande ontmoetingen hebben. De periode van lockdowns vanwege corona heeft dit wel kortstondig verergerd, maar de werkelijke oorzaak ligt vroeger en dieper.[5]

•   Volwassenen gebruiken hun smartphone dagelijks ruim twee uur, jongeren ruim vijf uur – bijna de helft vindt zichzelf verslaafd. Een deel van die tijd gebruik je weliswaar sociaal, zoals samen gamen, bellen en appen, maar dat is wel ánders sociaal. Bij online ontmoetingen mis je veel informatie, waardoor er meer misverstanden, vervreemding en conflicten ontstaan. Ook komt er veel minder oxytocine los, het bekende ‘knuffelhormoon’. Zo concurreert schermtijd rechtstreeks met fysieke ontmoetingen: een deel van de tijd waarin we tegenwoordig naar onze telefoon kijken, keken we vroeger elkaar in elkaars ogen. Onderzoek maakt het inmiddels ondubbelzinnig: als je veel op je telefoon zit, word je eenzamer en ongelukkiger.[6]

•   Voor vrijwel alle burgers wereldwijd is hun omgeving de laatste decennia diverser geworden, soms drastisch.[7] Binnen buurten, streken en landen wonen meer culturen dan ooit. De migratie, tussen landen en binnen landen, is waarschijnlijk op een historisch hoogtepunt: nog nooit verplaatsten zich procentueel zo veel mensen, bovendien over zulke grote afstand.[8] Dit is een gevoelig thema met ontzettend veel kanten, maar vrijwel alle onderzoekers zijn het erover eens dat door deze diversiteit mensen zich onzekerder voelen over hun eigen identiteit, verbinding missen en de kansen op onbegrip en conflicten toenemen.

•   Onderzoekers hebben de polarisatie in 47 Europese landen over een periode van 170 jaar vergeleken.[9] Hoeveel mensen vinden bijvoorbeeld dat ‘het hele systeem’ moet verdwijnen en dat ‘de democratie’ aan vervanging toe is? Hoe veel verschillen de overtuigingen binnen een land en ontmoeten de aanhangers elkaar persoonlijk? Hoe vaak stemmen getrouwde mensen op dezelfde partij en noemen we andersdenkenden mindere mensen of ontkennen we zelfs hun menselijkheid? Hoe vaak groeten mensen elkaar op straat? In vrijwel alle West-Europese landen neemt de polarisatie sterk toe en het is momenteel hoger dan ooit gemeten. Vooral de laatste tien jaar is er een sterke knik omhoog.

•   Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er wereldwijd niet zo veel conflicten geweest, die bovendien gewelddadiger waren dan ooit. In 2023 waren er 59 statelijke en 75 niet-statelijke conflicten en wereldwijd werd er meer dan ooit uitgegeven aan wapens (2.292 miljard euro volgens de officiële cijfers). Daarbij is de democratie ongekend impopulair, vooral onder jongeren, of ze nu links of rechts zijn, en komen er steeds meer staatshoofden met een autoritaire stijl van leidinggeven. De wereld is zeldzaam instabiel.

Deze cijfers zijn zo hoog dat we dit een crisis moeten noemen: een wereldwijde crisis in verbinding.[10] Er gaat iets grondig mis, grofweg sinds de jaren vijftig en vooral de laatste tien jaar. Met dit boek wil ik bijdragen aan een oplossing. Maar dan moet ik eerst begrijpen waar deze ‘verbindingscrisis’ vandaan komt.

 

De stam krijgt een wasmachine

Het is voor ons bijna niet meer voor te stellen, maar tot voor kort waren we zelden alleen. In traditionele samenlevingen zag je vrijwel voortdurend mensen in je directe nabijheid, die je bovendien al je hele leven kende, en ’s nachts sliep je ook nog eens bij elkaar in dezelfde ruimte.[11] Een vreemdeling ontmoeten was zeldzaam en zeer stressvol. Misschien kwam die om iets moois te ruilen. Misschien om een huwelijk te arrangeren. Misschien om je stam uit te roeien.

Pas sinds een paar duizend jaar kennen we steden en groeperen we ons als volken. En het is maar een oogwenk geleden dat de meeste ontmoetingen niet meer fysiek zijn: het sloop er langzaam in, eerst met de brief, toen de vaste telefoon en inmiddels zijn onze contacten voornamelijk online. De meeste medemensen die wel letterlijk dichtbij komen, zijn intussen juist onbekenden: op straat, in de winkel, in het openbaar vervoer. Vreemdelingen, waar men in traditionele samenlevingen doodsbang voor was. En met wie we wel communiceren hebben we meestal geen familieband meer, laat staan dat we bij hun geboorte waren of dat we hun ouders en grootouders kennen, zoals dat honderdduizenden jaren gebruikelijk was. We sluiten vriendschappen en romantische relaties en hechten daar grote waarde aan, maar verreweg de meeste vriendschappen en romantische relaties overleven niet de tien jaar.

De stam is een netwerk geworden. Het enige waar we altijd zeker van waren, is beweeglijk en kan elke dag veranderen.

Natuurlijk is er intussen veel verbeterd. Een kwart van de oermensen stierf door geweld. In Nederland waren er vorig jaar nog precies 100 verdachten van moord of doodslag, sinds de eeuwwisseling alweer een halvering.[12] Ook diefstal, inbraak, geweld en vernielingen zijn in vergelijkbare mate afgenomen. Intussen steeg de welvaart: we hebben nog nooit zo weinig armoede en werkeloosheid meegemaakt. Mijn grootouders konden zich in hun jeugd nog serieus zorgen maken om genoeg vitaminen, schoon drinkwater, een warm huis, een droog huis. Zij verloren allemaal een jong iemand in het gezin. Ze hadden zelf kunnen sterven aan de eenvoudigste infecties. Ze verveelden zich stierlijk tijdens de lange avonden. Maar toen zij de afgelopen jaren overleden, waren praktisch al die problemen opgelost. Bijna alles waar ze voor hadden geploeterd, was gelukt.

Wat is er dan misgegaan?

Bijna al de verbeteringen hebben een onvermoede keerzijde. Mijn oma was bijvoorbeeld een van de eersten in het dorp met een wasmachine. Dat was een grote vooruitgang, omdat ze eerder twee uur per dag aan het poetsen en wringen was, zwaar en geestdodend werk. In haar laatste weken, zestig jaar later, was ze nog steeds dankbaar dat mijn opa destijds hun karige geld in een primitieve wasmachine had willen steken. Tijdens diverse reizen heb ik het nog gezien: een groep vrouwen in de buitenlucht, ze zwoegen en mopperen, maar kletsen en lachen ook veel. Zonder machine was je samen. Zoals het ook ging met die andere grote uitvinding: leidingwater. Mijn oma maakte als kind mee dat ze thuis kranen kregen en hun leven werd direct veel prettiger. Zoals ik rijen meisjes en vrouwen ben tegengekomen, met volle jerrycans op hun hoofd, terwijl ze de laatste roddels uitwisselden. Omslachtig, maar samen.

Laatste voorbeeld, een van de belangrijkste uitvindingen ooit, die de meeste levens heeft gered: het riool. Mijn vader moest als tiener nog (in de jaren 60) een houten hok boven een sloot gebruiken. IJskoud in de winter, hoewel je andere knechten wel mooi kon plagen door een steen in het smerige water direct onder ze te gooien… Tijdens mijn reizen ben ik erg dankbaar geweest voor dit soort openbare plekken. Ze waren goor, er was geen papier, maar ik herinner me ook het gelach met dorpsbewoners terwijl we daar in hoge nood stonden te wachten. De meligste inscripties zijn teruggevonden op de muren van de Romeinse latrina (in het Latijn is bijvoorbeeld ‘je uitdrukken’ ook dubbelzinnig). Ook je behoeften deed je min of meer samen.

Technologie heeft ons veel gebracht, al die briljante uitvindingen hebben miljarden levens gered. Maar tegelijk ontwikkelde zich een crisis, die lang onzichtbaar bleef en nu pas duidelijk wordt. Het samen verdween. Terwijl we minder afhankelijk werden van onze omstandigheden, werden we ook minder afhankelijk van elkaar. Vroeger hadden we weinig anders dan onze stamleden, maar elke grote uitvinding heeft weer een stamlid overbodig gemaakt. Om te overleven moesten we elkaar vroeger stevig vasthouden. Maar hoe minder dat nodig werd, hoe meer we elkaar loslieten. Toen de zelfscankassa werd geïntroduceerd, dacht ik: vanaf nu kunnen we, voor het eerst in de geschiedenis, een heel jaar overleven zonder ooit iemand te groeten of zelfs maar in de ogen te kijken.

We hoeven niet romantisch te doen over vroeger. Samen betekent ook: telkens hetzelfde gedoe met iemand die je niet kunt vermijden, eeuwige dezelfde grappen aanhoren van die lollige oom. Ik heb die meiden die water uit de rivier halen, ook flink op elkaar horen foeteren. Samen kan te veel worden. Maar we zijn er wel op gebouwd. Ons DNA veronderstelt een stam. We zijn gemaakt voor verbinding.

De eerste avond in Kenia liep ik over straat en ik verbaasde me erover hoe veel mensen er opeens waren, veel meer dan overdag. Ik belandde op een bomvol plein, overal kakelende, lachende, ruziënde mensen. Ik vroeg aan iemand of er een concert zou zijn.

Nee hoor, zei hij.

Een demonstratie dan?

Ook niet, zei hij.

Maar wat doet iedereen dan hier?

Begrijp je het dan niet? vroeg hij lachend. Iets anders is er niet. We hebben toch geen televisie?

 

De stam krijgt een smartphone

We zoeken comfort en technologie heeft dat ruimschoots geleverd. Maar we zoeken ook verbinding. We zijn door en door sociale wezens. En in onze jacht naar comfort verloren we steeds meer samen. De laatste tien, vijftien jaar versnelt dat nog eens. Al eeuwenlang worden onze verbindingen losser, maar in de cijfers zie je rond 2010 plotseling een scherpe knik omhoog.[13]

Rond 2010 gingen we massaal aan de sociale media en de smartphone. En iedereen heeft de ironie al wel opgemerkt: van sociale media worden we niet socialer, van de smartphone niet smart en we gebruiken het nauwelijks als phone. Vooral onder jongeren is er een stevige toename in depressie, onzekerheid en angststoornissen.[14] Inmiddels is het verband met de smartphone aangetoond: hoe meer iemand deze gebruikt, hoe groter dit soort klachten. Wie slechts een week zonder leefde, werd al positiever, minder angstig en socialer. Om deze redenen, die ik in de jaren negentig vermoedde, heb ikzelf nooit een smartphone gehad.

Elke technologie maakt ons minder afhankelijk van elkaars steun. En alle moderne communicatiemiddelen hebben ons minder afhankelijk gemaakt van elkaars nabijheid. Er leken vooral meer mogelijkheden bij te komen: we konden elkaar nu ook schrijven, bellen, mailen, appen. Maar hoe minder het nodig was bij elkaar in de buurt te zijn, hoe minder we ook daadwerkelijk bij elkaar in de buurt waren. Terwijl we nog steeds diezelfde aap zijn die tot in zijn diepste vezels is gebouwd op die stam van honderdvijftig neefjes en nichtjes.

Dat is ironie van de moderne communicatiemiddelen. Hoe makkelijker we ons kunnen verbinden, hoe minder we ons echt verbinden.[15] Hoe meer friends, hoe minder vrienden. Dat zie je op de foto hiervoor gebeuren. Moderne communicatiemiddelen concurreren direct met menselijke communicatie. Want zeker, het was vaak ongemakkelijk, dat echte praten, zeker toen we tieners waren. Maar we deden het uiteindelijk wel. Wat moesten we anders? We waren er op gebouwd. Diep van binnen wisten we prima hoe het moest. Het zat in ons DNA. En daar zit het nog steeds.

Een plaatje van mijn oma, honderd jaar geleden: ze wordt geboren in een koude, natte en schimmelige boerderij. Als meisje moet ze uren poetsen op de kleding, sjouwen met water, koeien melken. Maar ook nooit alleen. Soms werd ze daar gek van, vertelde ze me later. En dan uiteindelijk loste je dat telkens weer op, samen.

Een tweede plaatje van mijn oma, een paar jaar terug: ze is over de negentig en zit in een elektrisch verstelbare stoel, in een verzorgingstehuis met een goede verwarming, dubbele ruiten en een donzen bed. Geen enkele voorouder is ooit zo oud geworden. Maar nu is het hele dagdelen stil. Toen ze met mijn opa de slagerij hadden, was er altijd aanspraak, elke middag tijdens de eetpauze was er aanloop, het was een zoete inval. Nu zijn er de lieve verpleegsters, een dochter komt zelfs dagelijks langs en twee andere dochters wonen te ver weg, ze pakken regelmatig de auto, sturen kaartjes, bellen. Maar het is niet zoals met haar eigen oma, die bij hen in de tochtende boerderij woonde en vanuit de bedstee alles zag gebeuren.

Mijn oma was de eerste in de familie die over de negentig werd. En de eerste in de familie die eenzaam was.

Toen mijn vrouw en ik samen door Latijns-Amerika reisden, hadden we de eerste dagen een onbestemd gevoel. We kenden deze landen van een jaar of vijftien eerder, toen we elkaar nog niet hadden ontmoet en we er in ons eentje hadden gereisd en gewoond. Uiteindelijk begrepen we waarom we ons nu zo unheimisch voelden. De straten waren ’s avonds stil. Iedereen had inmiddels een tv.

 

“Geluk is liefde. Punt uit.”

Ik vertelde over mijn goede vriend, toen we naast die schitterende biefstukken zaten, bij een vuurtje op een prachtige avond. Een comfort waar eerdere generaties alleen maar van konden dromen. Maar elkaar waren we kwijt.

Zo zijn we als maatschappij in onze zoektocht naar comfort extreem ver gekomen. Terwijl we intussen elkaar verloren.

Die vriend heb ik weer gevonden. Die avond lukte dat niet en ik reisde verward en leeg terug naar huis. Het duurde maanden voordat we elkaar weer even vanzelfsprekend begrepen als eerder, maar het lukte. We gingen een paar domme dingen minder doen en een paar handige dingen meer. We begrepen iets meer van hoe gesprekken werken en hoe niet.

Wat precies? Daarover gaat dit boek.

En dat is nodig ook.[16] Je hoort deze jaren over allerlei crisissen, maar de crisis in verbinding ligt onder veel van deze crisissen. Was er ooit een kredietcrisis geweest, als die bankiers persoonlijk iemand in de ogen hadden gekeken die ze hun hypotheken aansmeerden? Een beurscrisis, als die beleggers zelf vrienden hadden die voor hun pensioen afhankelijk waren van hun aandelen? Een migratiecrisis, als we zelf migranten kenden én wie zich door hen bedreigd voelen? Een stikstofcrisis, als de ambtenaren en de boeren elkaar wel eens op een feestje de hand schudden? Een huizencrisis, als het niet zo lastig was geworden bij elkaar te wonen? Niet dat met wat meer verbinding elk probleem meteen is opgelost, alsof dat een tovermiddel is – er speelt veel meer mee. Maar het gebrek aan verbinding wakkert die andere crisissen wel aan. Nooit in de geschiedenis waren er zo veel mensen op aarde, en nooit in de geschiedenis waren we zo vervreemd van elkaar.

In 1938 begon aan de universiteit van Harvard een onderzoek dat nu, bijna een eeuw later, nog steeds loopt. Een groep studenten, onder wie de latere president John F. Kennedy, vulden regelmatig een uitgebreide vragenlijst in en werden medisch onderzocht. De resultaten werden vergeleken met de gegevens over armoedige jongens uit de achterbuurten van Boston. Later werden ook hun vrouwen en kinderen onderzocht, zodat er een compleet beeld ontstond van wat ons nu gelukkig en gezond maakt. Het is een van de beroemdste onderzoeken ooit, met heldere resultaten. Alcohol maakt het meest kapot, zo bleek: alcoholisten hebben de slechtste relaties en de kortste levens. Ook bleek de band met je ouders van groot belang: hoe hechter die was, hoe meer je verdiende en hoe langer je leefde, relatief ontspannen bovendien. Maar het opvallendste verschil ging over hoe warm je contacten waren. Mensen met een paar goede vrienden waren veel rijker, gelukkiger en gezonder dan mensen met oppervlakkige contacten, hoe veel of weinig dat dan ook waren. George Vaillant leidde tientallen jaren het onderzoek en zijn conclusie was:

“Geluk is liefde. Punt uit.”[17]

We studeren, we kopen, we werken, we studeren, we lezen, we reizen – allemaal maar om gelukkiger te worden. En misschien helpt het allemaal wel iets. Maar het grootste resultaat bereiken we met iets dat we altijd al wisten. Geen goeroe hoeft het je uit te leggen. Het is voor iedereen beschikbaar. En gratis.

Daarom een boek over hoe we goede gesprekken kunnen voeren. We praten per dag gemiddeld twee uur. Dat zijn dagelijks 16.000 woorden, ongeveer een kwart van dit boek. Over een heel leven een half miljard woorden. We kletsen per persoon een complete bibliotheek vol! Daarom richt ik me op onze gesprekken, daar liggen de meeste kansen. Er zijn ook veel gespreksloze manieren om je te verbinden: dansen, musiceren, knuffelen, masseren, vrijen, roeien, voetballen, wandelen, series kijken, enzovoorts. Maar het gesprek beoefenen we het vaakst en is het meest beschikbaar. De meesten van ons kunnen niet twee uur per dag dansen. De meesten van ons praten wel twee uur per dag.

Wat zou er kunnen gebeuren, als de Amerikaanse, Russische en Chinese presidenten wat beter met elkaar konden praten? Linkse en rechtse politici? Wat als gewone burgers elkaar wat beter begrepen? Wat als er online niet alleen de schone schijn werd opgehouden of juist werd gescholden, maar werkelijk begrip ontstond? Wat als we zagen dat een collega geëmotioneerd was en we dan niet wegkeken, maar contact konden maken? Als familiefeestjes soepel en ontspannen konden verlopen? Als het kerstdiner een moment werd dat we niet alles wanhopig gezellig probeerden te houden, maar elkaar werkelijk zagen? Als we met vrienden hingen, eindeloos konden zwammen én echt de diepte in konden? Wat als we niet uitgekeken raakten op onze partner en misschien wel elke dag iets nieuws over elkaar konden ontdekken?

Deze en al die duizenden andere situaties waarin we praten of zouden kunnen praten – we kunnen erin groeien. We kunnen de ander leren kennen en tegelijk onszelf. We kunnen kwetsbaar zijn en de ander kan dat zijn. We kunnen wennen aan nieuwe overtuigingen en we anderen meenemen in die van ons. We kunnen een ander troosten en zelf nabijheid ervaren. Het gesprek kan de plek zijn waarin we ten volle leven.

Elke tijd heeft zijn eigen serieuze crisis en de crisis van onze tijd is van verbinding. Als we iets nodig hebben, is het een goed gesprek.

[1] De persoonlijke anekdotes in dit boek zijn echt gebeurd, maar om privacyredenen iets aangepast.

[2] In Nederland ging het in 2022 (cijfers Gezondheidsmonitor) het om 48,6% van de volwassenen; 14% voelde zich (zeer) ernstig eenzaam, een op de zeven. In 2012 ging het nog om 39% van de bevolking, dus een stijging van ongeveer een kwart.

[3] Robert Putnam, Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community, Simon & Schuster 2020.

[4] De precieze cijfers zijn: tussen 2007-2009 (onderzoek NEMESIS-2) had 5,1% van de volwassenen in Nederland in het afgelopen jaar een depressieve stoornis, en in 2019-2022 (NEMESIS-3) was dit 9,3%. Breed steeg het aantal psychische aandoeningen in het voorgaande jaar van 18% (ongeveer een-op-de-vijf) naar 26% (ongeveer een-op-de-vier). Bij jongvolwassenen gaat het om 44% (bijna de helft), gepensioneerden geven de minste problemen aan. Het aantal mensen met mentale stoornissen dat een beroep deed op de ggz steeg tussen 2009 en 2021 met 53%.

[5] Vgl. Raheel Mushtag e.a., ‘Relationship Between Loneliness, Psychiatric Disorders and Physical Health? A Review on the Psychological Aspects of Loneliness’, Journal of Clinical & Diagnostic Research september 2014; Evren Erzen e.a., ‘The effect of loneliness on depression: A meta-analysis’, International Journal of Social Psychiatry mei 2018.

[6] Kristi Baerg MacDonald e.a., ‘Loneliness unlocked: Associations with smartphone use and personality’, Acta Psychologica november 2021. Peng Su e.a., ‘The mediating role of loneliness in the relationship between smartphone addiction and subjectieve well-being’, Scientific Report februari 2024.

[7] Vgl. World Migration Report 2024, dat 281 miljoen jaarlijkse migranten noemt, waarvan 117 miljoen onvrijwillig. Jacob Puushter, ‘How people around the world view diversity in their countries’, Pew Research Center, april 2019: 90 procent stelt dat de diversiteit in hun land de afgelopen twee jaar is toegenomen.

[8] De enige periode die vergelijkbaar is, is de zogeheten ‘age of mass migration’, van ongeveer 1850 tot 1914, waarin miljoenen Europeanen naar Amerika trokken: de grootste groep was binnen de zogeheten Italiaanse diaspora, waarin tussen 1880 en 1915 ongeveer 13 miljoen Italianen het land verlieten.

[9] Fernando Casal Bértoa e.a., ‘Polarization: What Do We Know and What Can We Do About It?’, Frontiers in Political Science juni 2021. Vgl. Tiit Tammaru e.a., Socio-Economic Segregation in European Capital Cities: Eats meets West,Routledge 2019. Wouter van Gent e.a., ‘De nieuwe stedelijke geografie: ongelijkheid en segregatie’, geografie.nl 18 juni 2019. Onderzoek CBS, februari 2024: ‘Mensen met Nederlandse herkomst hebben meest gesegregeerde netwerk’. Het netwerk van de een-vijfde rijkste en hoogst opgeleide Nederlanders is ruim twee keer eenvormiger dan die van de een-vijfde armste en laagst opgeleide. Vgl. Robert D. Putnam, The Upswing: How we came together a centure ago and how we can do it again, Swift Press 2021.

[10] Niobe Way e.a., The Crisis of Connection: It’s Roots, Consequences, and Solutions,NYU Press 2018.

[11] Jared Diamond, Erfenis: Wat we kunnen leren van traditionele samenlevingen, Spectrum 2013, p.51ev.

[12] In 2003 werden 190 verdachten voor moord of doodslag gedagvaard, in 2022 waren dat er 100, en landelijk daalde het aantal slachtoffers van ‘traditionele misdrijven’ zoals diefstal, inbraak, geweld en vernielingen tussen 2012 en 2022 met 43%. Het percentage mensen met kans op armoede (tegenwoordig 1.200 tot 2.300 per maand, afhankelijk van de gezinssamenstelling) is 3,8%. Vooral mensen in grote steden en vluchtelingen lopen hierin risico. In 2023 was 3,7% van de beroepsbevolking werkeloos, wat een halvering in een decennium betekent. Vgl. Steven Pinker, The Better Angels of Our Nature: A History of Violence and Humanity, Viking 2011, p.59.

[13] Vgl. Jonathan Haidt, Generatie angststoornis: Wat sociale media met onze kinderen doen, Ten Have: 2024.

[14] Simon van Teutem, ‘Smartphone verzieken de mentale gezondheid van jongeren. Wanneer grijpen we in?’, De Correspondent 28 augustus 2023.

[15] Sherry Turkle, Alone Together: Why We Expect More From Technology and Less From Each Other, Basic Books, 2011 en Reclaiming Conversation: The Power of Talk in a Digital Age, 2016.

[16] John Cacioppo e.a., Loneliness: Human Nature and the Need for Social Connection, Norton 2009. David Brooks, The Social Animal: The Hidden Sources of Love, Character, and Achievement, Random House 2012.

[17] “Hapiness is love, full stop.” Scott Stossel, ‘What Makes Us Happy, Revisited’, The Atlantic mei 2013. Vaillant vatte de conclusies elders op even bondige manieren samen als: “The short answer is L-O-V-E”, en: “This study proves the Beatles were right: All you need is love.”

Vorige
Vorige

Klik | Betere gesprekken, dieper contact

Volgende
Volgende

Het magische laatste woord