Hoe je een praatje begint
Elke ontmoeting herbergt een belofte en een risico. Je treedt de nieuwe wereld in van een persoon. En zoals je bij een landsgrens kan worden geweigerd, kan een persoon je afwijzen. Vaak niet eens om wie jij bent – diegene was gewoon druk, afgeleid, moe. Toch voelt het pijnlijker dan dat. We zijn vaak ergens in onze geschiedenis tegen een muur aangelopen. We hebben ons eenzaam gevoeld, vaak op de middelbare school, de tijd dat we ons bewuster worden van wie we zijn en onze leeftijdsgenoten scherper gaan oordelen. De wanhoop uit zo’n periode kunnen we een leven lang met ons meedragen.
Als oude angsten je parten spelen en je bijvoorbeeld daardoor verlegen bent geworden, is het antwoord: oefenen-oefenen-oefenen. Begin klein, met een, twee, drie adviezen die niet al te spannend voelen (verderop in dit hoofdstuk) en als je daar uiteindelijk wat minder zenuwachtig bij wordt, probeer je een paar andere, misschien wat engere. Je verwoordt telkens voor jezelf, vriendelijk, dat je weer aan het stressen bent over smalltalk, dat die oude klasgenoot je in gedachten lastigvalt, of wie dan ook. En daarna verleg je bewust je focus en ga je handelen. Je hoofd uit, de fysieke wereld in.
Richt je tijdens een gesprekje niet op jezelf, je eigen gedachten en gepieker, maar op anderen. Laat het doel van je ontmoeting niet zijn dat iedereen jou leert kennen, maar dat jij anderen leert kennen. Probeer niet het spotlight op jou te krijgen, maar zet dat op anderen. Streef er niet zozeer naar zelf heel kalm te worden, maar stel anderen gerust. Door telkens te denken aan hoe jijzelf overkomt, blijf je nerveus, terwijl het ontspant als je investeert in je gesprekspartners. Stel je behulpzaam op, toon interesse, vraag maar raak.
Meters maken dus. Niet alleen iets bedenken of jezelf toespreken, maar aan den lijve ervaren dat het meeviel.
Hoe begin je concreet? Veel smalltalk-haters zoeken afleiding, komen expres laat aan en vermijden zo van tevoren wat stress – die vervolgens ter plekke explodeert. Mijn eerste advies is dus om je een beetje voor te bereiden. Laat het niet allemaal van het moment afhangen. Dat voelt vreemd, want kletspraatjes lijken per definitie spontaan, maar juist ons oppervlakkige gebabbel voldoet aan allerlei regels en die kun je gebruiken.
• Plan je dag niet vol. Aandacht, empathie, focus, ze hebben allemaal een max. Je kunt het ‘op’ maken op een dag. Dan voelt het alsof je vol zit en heb je de energie niet meer voor smalltalk. Het is makkelijker contact te leggen als je weinig stress voelt. Een open agenda is een open hart.
• Bereid je route voor. Als je eindeloos moest zoeken naar een parkeergarage of de goede busverbinding, kom je met een bezwete kop en warrig binnen. Buiten de stam was het gevaar, binnen je stam de verbinding. Als je een plek al een beetje kent, geeft dat een thuisgevoel. Hoe vertrouwder je je voelt in een situatie, hoe makkelijker de praatjes gaan.
• Kom op tijd. Als je laat komt, zijn de groepjes al gevormd en kijk je tegen een stel ruggen aan. De ruimte is dan al ‘ingenomen’ en je voelt je een vreemde. Als je aan de vroege kant bent, kun je wennen aan de situatie. De ruimte wordt een beetje jouw terrein en voelt veiliger. Als er dan iemand binnenkomt, kun jij diegene introduceren bij de gastheer/vrouw, wijzen waar het toilet is of welke nootjes je moet hebben. Dat geeft je meteen een vriendelijke opener voor nieuwkomers. Ook zij komen met enige stress binnen en zullen vaak je hulp dankbaar aannemen – en jij hebt meteen je eerste gesprekje binnen.
Daarnaast kun je iets voorbereiden van wat je hebt te zeggen:
• Oefen een paar openingsvragen en ‘oprotzinnen’. Visualiseer enkele lastige situaties en stel je voor wat je dan doet en zegt. Eventueel hardop, voor een spiegel. Stel je daarbij voor op welke toon je iets zegt en hoe je lichaamshouding dan is. Glimlach licht, stel je open op en zeg duidelijk iets als: ‘Hallo, ik ben Machteld. Hoe ken jij Pietje?’ ‘Ik ga nu even verder. Echt geweldig wat je allemaal vertelde over je smurfenpoppetjesverzameling!’
• Lees over enkele onderwerpen die spelen bij het gezelschap. Elke groep heeft zo zijn nieuwtjes en roddels, die je online meestal wel deels kunt achterhalen. Als je op de verjaardag van een architect komt, kun je googelen op ‘architectuur prijzen’, bij belezen Turken ‘turkije literatuur’, enzovoorts. Vervolgens kun je daar wat vragen over stellen: ‘Ik begreep dat met hout bouwen helemaal hip is tegenwoordig. Wat denk jij daarbij?’ Je kunt hier ook rechtstreeks naar vragen: ‘Wat speelt er in jouw vakgebied? Wat zijn de hot topics? Waar heeft iedereen het over?’ De kennis die je daarbij opdoet, gebruik je de rest van de avond.
• Bereid een kleurrijk, vrolijk antwoord voor op de vragen: wat doe je, en waar woon je. Deze vragen komen hoogstwaarschijnlijk in nieuwe groepen en kun je dus een beetje naar je hand zetten, door er een grapje of een anekdote aan te koppelen. Wat doe je? ‘Dat ene beroep dat iedereen als hobby wil hebben.’ Waar woon je? ‘Weet je nog dat laatst in het nieuws was dat …’ Je weet dat mensen je antwoord niet vergeten en je zet direct een opgeruimde toon.
• Onderzoek een beetje de eigenaardigheden van de groep, zoals het jargon, bijvoorbeeld met ChatGPT. Je kunt er ook iemand uit het wereldje naar vragen, van tevoren of ter plekke bij de ontmoeting. ‘Zeg, jij bent duiker hè… Waaraan merk jij nou dat iemand een beginneling is? En dat die een pro is?’ De informatie die je hier opdoet, gebruik je in het volgende babbeltje en zo verder. Jargon is een sociaal signaal: wij horen bij een select gezelschap, wij delen iets, wij zijn van dezelfde ‘stam’. Als je de juiste woorden gebruikt, geeft dat snel een band.
Voorbereiding ontspant. Je krijgt ruimte in je hoofd. Daardoor wordt het makkelijker om op iemand af te stappen. De vraag is hoe je dat vervolgens doet. Er zijn verschillende methodes, die je van tevoren kunt visualiseren en oefenen:
• Kom binnen alsof je er hoort. Veel mensen arriveren verwaaid, met een jachtige blik. Alles straalt uit dat ze op onbekend terrein zijn, buiten hun ‘stam’. Besteed aandacht aan je entree. Een trucje is even in de deuropening te blijven staan en rustig naar de gezichten in de ruimte te kijken. Zeg iets tegen jezelf wat over verbinding gaat: ‘Ik hoor bij deze groep, ik voel me hier echt thuis, wat een interessante mensen allemaal!’ En stap met een open en vriendelijke blik de ruimte in. Als je blik met iemand kruist, kan dat je eerste gesprekje zijn.
• Houd je lichaamshouding stevig en open. Stel je voor dat er een touwtje aan je kruin zit dat je omhoog houdt. Zo zak je wat minder in en lijk je langer. Het helpt om jezelf te zien als avonturier. Je komt een nieuw gebied in en je bent nieuwsgierig wat je hier allemaal gaat ontdekken. Dit is omgekeerde als de vorige tip, dat je ‘in je eigen stam komt’, maar nu frame je het vreemde juist als iets positief.
• Gewoon op iemand afstappen. Naar iemand toelopen en je voorstellen, eventueel met uitgestoken hand, daar is niets mis mee. Het is prima mogelijk dat iemand zich excuseert en zich naar een ander wendt, maar na een paar pogingen is het echt wel raak. Je begint meteen over iets wat jullie delen, bijvoorbeeld jullie gastheer/vrouw of gezamenlijke project: ‘Hoe ken jij … eigenlijk?’ ‘Geweldig hè, om hier te zijn.’ Dit zijn zinnen die je kunt voorbereiden. Als er overal al groepjes zijn gevormd, is het lastiger je ergens tussen te wurmen, maar meestal kun je wel een lotgenoot vinden die ook alleen staat. Anders kun je een groepje uitkiezen dat wat opener is opgesteld, zodat je niet over een schouder heen hoeft te gluren. Ga in die opening staan met een vriendelijke blik, je stelt je voor en vraagt of je erbij kunt komen staan.
• Vriendelijk afwachten en bij oogcontact toehappen. Ga ergens staan of loop rustig rond, kijk om je heen met een nieuwsgierige blik. Vooral niet ergens in een hoekje gaan staan en op je telefoon kijken! Het kan lang duren voordat je oogcontact hebt, maar houd je lichaamshouding open – je armen niet voor je buik, je benen niet gekruist, je hoofd rechtop. Jij vindt het helemaal totaal ongelooflijk prima hier. Na een tijdje zal een blik je kruisen. Glimlach dan direct gul en breed, alsof je blij verrast bent diegene te zien. Vervolgens kun je op diegene afstappen of diegene naar je toe wenken, ook als die al in gesprek is, en dan eenvoudigweg iets zeggen als: ‘Het lijkt me leuk kennis te maken. Ik ben…’ Of: ‘Ben jij niet…’
• Introduceer of laat je introduceren. Als iemand na jou binnenkomt en jij weet al iets meer over de situatie, kun je je behulpzaam opstellen: ‘Leuk dat jij er ook bent! De jassen hangen daar. Ik ging net wat te drinken halen, wil jij ook? Ik ben … trouwens, en jij?’ Als je in een groepje staat en je ziet toevallig een nieuweling, kun je die wenken om erbij te komen staan. Jij hebt jouw smalltalk al wel, maar die ander was misschien wel nog nerveuzer dan jij en zal je veel gunnen. Je kunt ook aan de gastheer/vrouw of organisatie vragen je aan een of meer mensen te introduceren: ‘Met wie zou ik hier een klik hebben, denk je? Wil je even meelopen en me voorstellen?’
• Geef iets kleins: een compliment of hulp. Het is bijna altijd prettig om iets positiefs te horen over je kleding, je project, je vak. Een subtiel compliment is medeleven tonen: ‘Oeh, jij hebt vandaag hard gewerkt, of niet soms!’ (Maar houd het klein, want deze kan ook overkomen als: ‘Oeh, wat heb jij gi-gan-tische wallen onder je ogen…’) Hulp aanbieden kan heel charmant: ‘Dat gerecht daar is lekker, joh!’ ‘Zoek je de wc? Die is daar!’ Doe het en passant, niet te uitgebreid. Iets geven gebruikt het Voorschoteffect: mensen die elkaar kennen gunnen elkaar veel. Daar neem je dan een eerste stap in.
• Vraag iets kleins: advies of hulp. Het voelt alsof je onhandig bent en de ander lastig valt, maar even vragen waar de wc is, hoe het werkt met het parkeren, hoe die-en-die ook maar weer heet, straalt uit dat jij die ander als betrouwbaar ziet, iemand met verstand van zaken, iemand die erbij hoort. Ook dat gebruikt het Voorschoteffect. Het blijkt dat mensen die eerder iets kleins voor je hebben gedaan, je aardiger gaan vinden en zelfs geneigd zijn vervolgens iets groters voor je te doen. Dat is het zogenaamde voet-tussen-de-deureffect, dat vervelende verkopers gebruiken, maar daarbuiten gewoon prettig in de omgang is.
Dit zijn al heel wat adviezen, maar de kern is eenvoudig: begin over iets simpels dat jullie delen, iets uit de naaste omgeving. In het KLIK-model begin je bij ‘samen’ en ‘openbaar’: bij jullie overeenkomsten, aan het oppervlak. Het weer, elkaars kledingkeuze, iets wat aan de muur hangt, een gezamenlijke collega, alles wat maar hier-en-nu is. Je zoekt een eenvoudig ‘we’. Ook een compliment laat zien dat jullie iets delen: blijkbaar hebben jullie een vergelijkbare smaak. En als je om hulp vraagt of dat aanbiedt, deel je blijkbaar eenzelfde doel.
Hiervoor staat de eerste stap, maar dan? Wat zeg je na die eerste zin? In principe alles volgens de VIA-techniek: Vragen, Invullen, Aanvullen. Je gebruikt iets van wat de ander heeft gezegd, misschien maar een enkel woord, en stelt daar een vraag over, of noemt daar een gedachte, gevoel of anekdote bij. Vaak loopt het gesprekje dan vanzelf wel. Tot het pijnlijk stil wordt…