Licht aan het einde van de tunnel
Een wetenschappelijk onderzoek naar bijna-dood ervaringen


Door Reinier Sonneveld

Toen ik tien was, werd ik door een dodelijke slang gebeten. Dat mijn naam boven dit artikel staat, betekent dat ik het overleefd heb, tegen alle verwachtingen in overigens. Meteen na de beet raakte ik in een shocktoestand, maar ik vond het heerlijk. Ik was in een zacht-witte wereld en alles voelde liefdevol. Tot ik in de verte, als van achter de horizon, mijn moeder hoorde roepen. Ze eiste dat ik terug zou komen, waar ik in het geheel geen zin in had. Maar ondanks mijn weerzin, werd ik teruggezogen tot het normale leven.

Vlak hierna kreeg ik een zware operatie, en maakte ik weer iets wonderlijks mee. Ik was onder narcose, maar zag mezelf liggen. Ik zweefde als het ware boven de operatietafel, zag de chirurgen bezig, en ving allerlei details op van hun gesprekken. Ik vertelde dat een paar dagen later ook aan de stomverbaasde specialisten. Ik had details waargenomen die ik logischerwijs niet had kunnen weten.



Pim van Lommel

Pas jaren later ving ik een begrip op dat mijn ervaringen leek te dekken: bijna-dood ervaring. De verhalen die ik daarover las, waren stukken spectaculairder dan die van mij. Die gingen ook over ‘tunnels met licht aan het einde’, uitvoerige gesprekken met overleden familieleden, een herbeleving in hoog tempo van het gehele leven, en een keuzemoment voor een symbolische grens. Sommige beschreven ervaringen waren ook angstig, ‘hels’ eigenlijk. Maar het warme licht, de weerzin tegen terugkeer, de uittreding uit het lichaam, en de onmogelijke kennis van details, dat herkende ik en dat was geruststellend. Behalve met mijn ouders, sprak ik er twintig jaar lang niet over.

Vanaf nu wel. Dit artikel voelt dan ook een beetje als een coming out. Maar met een aanleiding. Die aanleiding is het boek dat enkele maanden geleden uitkwam, en meteen in de media reuring veroorzaakte: Eindeloos bewustzijn van Pim van Lommel. Van Lommel was cardioloog in het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem en onderzocht systematisch 344 patiënten die een hartstilstand hadden gehad. Daarvan bleken er 62 een bijna-dood ervaring (verder BDE) te hebben gehad, bijna één-vijfde dus. Zijn eerste publicatie hierover, uit 2001 in The Lancet, was wereldnieuws.

Om een aantal redenen vormt zijn boek zowel een bevestiging van het traditionele christendom, als een uitdaging eraan. Het is wetenschappelijk tamelijk grondig gedocumenteerd en kan worden uitgelegd als een soort godsbewijs, of beter gezegd: een bewijs dat ons bewustzijn ook los van onze hersenen bestaat, dat er kortom een soort ziel is. Er loopt tamelijk wat ‘godsbewijs’ gewoon los rond: van de wereldbevolking heeft zo’n 4 procent een BDE ervaren, wat betekent dat in elke kerkgemeenschap er zeker 1 tot 6 leden over kunnen meepraten, en in totaal in Nederland zo’n 600.000 mensen.

Tegelijk vliegt tegen het einde Eindeloos bewustzijn gierend uit de bocht als Van Lommel alle mogelijke obscure New Age-achtige theorieën erbij haalt om zijn onderzoek een soort levensbeschouwelijke bodem te geven. Het wordt een amateuristisch en warrig betoog dat de kwantumfysica op de klank af interpreteert. Maar los daarvan, blijkt er ook iets te gebeuren met de mensen die een BDE hebben gehad. Zo verlaten ze bijvoorbeeld massaal de kerk.



Tegen het materialisme

Daarover later. Eerst over hoe sterk zijn bewijsvoering staat, dat een BDE in sommige gevallen niet vanuit het materialistische wereldbeeld kan worden verklaard, maar bovennatuurlijk moet zijn:

1. Het interessantst zijn die gevallen waarin de patiënt werkelijk dood is (dat wil zeggen, hun EEG is volledig plat en er is wetenschappelijk geen enkele activiteit meetbaar in de hersenen) en zij toch allerlei details waarnemen en dat later kunnen navertellen. Mensen die medisch hersendood zijn, komen namelijk soms nog bij na bijv. reanimatie. Kroongetuige voor Van Lommel is Pamela Reynolds, bij wie wegens een operatie al het bloed uit de hersenen was gehaald, en die desondanks nauwkeurig enkele (niet voorspelbare) gesprekken van de chirurgen wist te reproduceren, en precies de specialistische boorapparaten kon beschrijven, terwijl zowel haar ogen als haar oren afgesloten waren. Dergelijke getuigenissen sluiten tevens uit dat een BDE slechts op de ‘rand’ van hersendood wordt ervaren, vlak ervoor of vlak erna.

2. Het verhaal wordt sterker doordat in alle culturen om ons heen een BDE vrijwel identiek wordt ervaren, dus ook in culturen waar het hele fenomeen onbekend is en ongeacht leeftijd of levensovertuiging. Toen ikzelf het ervoer, was ik overigens kind, en had er ook nog nooit van gehoord. Ook terug in de geschiedenis zijn bij Westerse en Oostere mystici beschrijvingen te vinden die sterk aan BDE’s doen denken, maar ook bij bijvoorbeeld Jeroen Bosch, Dante en Plato. Dit suggereert dat het weinig te maken heeft met culturele vooroordelen of verwachtingen.

3. Opvallend is dat in een BDE de overleden familieleden worden ontmoet, en niet nog levende geliefden (of dit een harde regel is, wordt mij niet duidelijk uit het boek). Soms zelfs familieleden waarvan men, door een coma, niet eens kon weten dat zij overleden waren. Als een BDE een hallucinatie was of leek op drugsgebruik is dit onwaarschijnlijk, omdat dan eerder te verwachten valt dat de nog levende geliefden worden gezien, die bijvoorbeeld nog in dezelfde ziekenhuiskamer zijn op dat moment.

4. Er zijn wel ervaringen met drugs of hallucinaties die wat lijken op een BDE, maar die gelijkenis is slechts oppervlakkig. Mensen die zo’n semi-BDE ervaren, bijvoorbeeld zo’n tunnel met licht zien, maken niet de kenmerkende karakterverandering naderhand door, en verliezen de band met de realiteit, terwijl een lichamelijke uittreding nu juist gekenmerkt wordt door een verbazingwekkend precieze beschrijving van de realiteit.

Er zijn uiteraard ook gegevens die het onderzoek kunnen afzwakken. Zo zijn waarnemingen na injectie met de stof DMT behoorlijk verwant aan BDE’s. Dit is zeker iets om nader te onderzoeken en het zou een deel toch weer plat-materialistisch kunnen verklaren. Ook ben ik benieuwd naar een evolutionaire verklaring, die ik nog nergens ben tegengekomen, maar die toch op een dag ergens zal opduiken. Ik vermoed zelf al dat een groep waarin enige leden gaat vertellen over ‘een leven na dit leven’ levensvatbaarder is dan een groep waarin geen BDE’s worden verteld; zijn zullen bijvoorbeeld minder verlamd worden door een angst voor de dood en wellicht een grotere moed vertonen in gevechten.

Die specifieke evolutionaire verklaring is overigens niet heel sterk, omdat zelden over BDE’s wordt gesproken. Verder sluiten bovengenoemde alternatieve verklaringen de echtheid van BDE’s niet uit; ze melden hooguit dat er ook niet-echte BDE’s zijn. En net zomin als het bestaan van nep-merkkleding het bestaan van echte merkkleding uitsluit, maar deze eerder juist bevestigt, geldt dit ook voor BDE’s. Of als bijvoorbeeld in een boek plagiaat wordt aangetoond, bewijst dat in de verste verte niet dat het oorspronkelijke boek ook plagiaat is.



Steun voor het christendom

Het christendom wordt op zeker vier manieren door deze bevindingen ondersteund:

1. Allereerst natuurlijk in de doorbreking van het platte wereldbeeld dat alles exclusief vanuit het waarneembare poogt te verklaren. Alle religies zeggen dat er ‘meer’ is, vinden de aanwijzingen daarvoor in bijvoorbeeld gebedsgenezingen, bijzondere krachten van leiders, het mysterie van de natuur, voorspellende visioenen, maar nu wellicht ook in BDE’s.

2. Een deel van de hersendode mensen ziet God of ‘een soort God’, bijvoorbeeld een alomvattende, liefdevolle ‘energie’. De precieze invulling lijkt af te hangen van de religieuze achtergrond van de waarnemers. Schitterend is het getuigenis van de reeds genoemde Pamela Reynolds die ook dat ongelooflijk heldere licht zag: ‘Ik vroeg of dat licht God was, en het antwoord was: ‘Nee, het licht is niet God, het licht is wat er gebeurt als God ademt.’ Ik herinner me heel duidelijk dat ik dacht: Ik sta in de adem van God…’

3. De waarnemingen lijken ook het bestaan van (iets als) engelen te bevestigen. Meerdere mensen zien een soort ‘lichtwezens’, die zonder woorden met hen communiceren en louter het beste met hen voor hebben. Soms zijn het deze lichtwezens die de hoofdpersoon ertoe bewegen weer terug te gaan naar het gewone leven omdat ze nog een opdracht hebben te vervullen.

4. Een paar procent ervaart een soort hel, een lege en duistere ruimte, waar men zeer eenzaam is en soms door demon-achtige figuren wordt uitgelachen en gekweld. Dit is een interessante kritiek op de weerzin die er sinds de Verlichting is op de leer van de hel, die overigens in alle grote religies, inclusief het Boeddhisme, voorkomt. De mensen die de klassieke ‘film van het leven’ zien langs flitsen, ervaren dat soms ook als een oordeel, omdat men alles voelt wat men de ander heeft aangedaan, zowel het geweld als de liefde.



De uitdagingen aan de theologie

Maar er zijn ook enige waarnemingen die niet zozeer het christelijke geloof ontkrachten, maar er wel mee schuren, of op z’n minst een theologische uitdaging vormen:

1. Er is volgens de onderzoeken geen enkele samenhang tussen welke religie men aanhangt, en of men zelfs maar een religie aanhangt, en een BDE. Als een BDE werkelijk een soort gang naar de hemel verbeeldt, is dat op z’n minst opmerkelijk. Waarom zijn het soms overtuigde christenen die een ‘helse’ BDE krijgen, en overtuigde atheďsten een ‘hemelse’? Vanuit de christelijke theologie is een mogelijk antwoord dat een BDE slechts iets als een voorbode is van de echte hemel en hel, zoals ook bijvoorbeeld C.S. Lewis in De grote scheiding een soort tussenfase beschrijft. Echter, hoe groter de afstand tussen de echte hemel en de BDE’s theoretisch wordt gemaakt, hoe minder zwaar het ook kan tellen als kritiek op het platte materialisme.

2. De orthodoxie gelooft, hoewel bij veel christenen daarover verwarring is, niet in een ziel. Een eeuwige, goddelijke ziel los van het lichaam is eerder een heidense uitvinding en lijkt in de bijbel niet voor te komen. Het past bij het gnostische zoeken naar verlichting in jezelf, maar juist niet bij het Joods-christelijk-islamitische besef van totale afhankelijkheid van de Schepper. De christelijke leer is dat wij in God geborgen zijn, en dat de standvastigheid en eeuwigheid van ons leven dus niet los van hem bestaat, maar in hem. Het onderzoek van Van Lommel suggereert echter, hoewel niet dwingend, een eeuwige ziel die in zekere mate onafhankelijk is van God.

3. Er zijn enkele individuen die zowel een hemelse als een helse BDE ervaren, soms zelfs vlak na elkaar. Mocht een BDE ook maar iets te maken hebben met iemands reële eeuwige heil, dan schuurt dit met enige specifieke reformatorische variaties op de orthodoxe uitverkiezingsleer, die immers stellen dat iemands heil al van eeuwigheid af vast staat.

4. Zoals ik eerder al zei, verlaten opvallend veel mensen die een BDE hebben gehad, de kerk. Mensen die een hartstilstand-inclusief-BDE hadden, zakten 42 procent in een kerkbezoek, terwijl ‘normale’ gevallen met een hartstilstand juist 25 procent meer naar de kerk gingen! Dat is per groep al een stevige gedragsverandering, en het verschil ertussen is nog spectaculairder. Als het gaat om interesse in spiritualiteit, is het beeld echter precies omgekeerd: bij de BDE-ers nam dat met 42 procent toe, bij de normale gevallen juist met 41 procent af. Evenzeer spectaculair en iets wat evenzeer roept om een verklaring.



Karaktertrekken en gemeenschappen

Die verklaring geeft Van Lommel zelf niet. In zijn eigen onderzoek zitten echter al een paar suggesties. Het lijkt erop dat mensen na een BDE gevoeliger en intuďtiever worden, maar zich ook veel minder aantrekken van groepsnormen en nauwelijks meer streven naar status. Het worden dus mensen die sowieso al qua karakter niet eenvoudig meer in een groep hun spiritualiteit kunnen beleven. Tel daarbij op hun diepste religieuze ervaring nauwelijks uit te leggen valt en zeer individueel was, en dat er in West-Europa snel wat meewarig over dit soort zaken wordt gesproken, ook in kerkgemeenschappen. (En er zijn natuurlijk gemeenschappen die alles wat raar is meteen aan de duivel toewijzen. Dat is ook iets wat mij zelf lange tijd heeft weerhouden hierover te spreken: voor je het weet gaat iemand roepen dat je occult belast o.i.d. bent.)

Dit zijn allemaal vrij logische processen waardoor iemand na een BDE minder zal klikken met welk groepsgebeuren dan ook, en zoiets valt geen van beide partijen aan te rekenen. Het kan weliswaar tevens te maken hebben met een zeker dogmatisme in traditionele kerken, maar dat hoeft niet, want ook ongelovigen vinden het na een BDE lastiger in een groep en durven hun ervaringen eveneens nauwelijks te delen – hoewel dat weer te wijten zou kunnen zijn aan een materialistische dogmatisme.

Ik beschouw het onderzoek van Van Lommel, los van zijn amateuristische New Age-theorieën, als een spannende knuppel in het hoenderhok. Net als de discussies rondom gebedsgenezing en Intelligent Design, die ook allebei mogelijk wetenschappelijke bewijzen kunnen leveren tegen het materialisme, zal het nog jaren voer geven voor artikelen, afstudeerscripties, boeken en nieuwe onderzoeken.

Als theoloog vermoed ik dat de christelijke verwerking de BDE’s zal gaan plaatsen als een soort ‘tussenfase’, die enige verwijzingen bevat naar de reële hemel en hel, maar niet daarmee samenvalt. Dit past het beste bij het orthodoxe besef, dat ook geldt voor Intelligent Design en gebedsgenezing, dat God zich weliswaar laat kennen, maar zich altijd onttrekt van de keiharde bewijsvoering, zodat wij vrij blijven in onze liefde tot hem, en hij altijd hoogverheven blijft.