|
Er hangt een dode man in mijn kamer
(Proefhoofdstuk van een nieuw boek)
Door Reinier Sonneveld
Ik had ook een reproductie van een Renaissance-schilderij kunnen ophangen, of zo’n Grieks beeldje in de boekenkast kunnen zetten. Helderwit marmer, geoefende spieren maar niet als een body builder, wiskundige verhoudingen. Wat een goddelijk lichaam, zouden vriendinnen zeggen.
Nu hangt er een dode man in mijn studeerkamer. Zijn armspieren zijn gescheurd, zijn schouders uit de kom, zijn hoofd hangt naar rechts en zijn ogen zijn gesloten. Hij is mager, ik zie de ribben, goddelijk is het lichaam niet. Hij is doodgemarteld. Er hangt een doodgemartelde man in mijn kamer.
De berekeningen verschillen, maar veel historici houden het op 33 n.Chr., 15 april, rond 3 uur in de middag, ergens langs een toegangsweg tot de stad Jeruzalem, bijvoorbeeld waar nu de Heilige Grafkerk staat. Niets is zo vaak afgebeeld als die plek, dat moment. Niet het moment dat Newton de appel zag vallen en de zwaartekracht beschreef. Niet toen Neil Armstrong zijn eerste stap op de maan zette. Niet toen het laatste slachtoffer aan pokken overleed. Dat was wellicht logischer geweest, prettiger in elk geval.
Maar nu hangt er een dode man in mijn kamer. En heel het christelijke geloof draait om het besef dat mijn kamer eigenlijk aan die dode man hangt.
Een Chinese vrouw in een fabriekshal
Ik kijk naar de crucifix en kan m’n gedachten er niet bij houden. Ik zou nu graag diepe dingen denken, maar ik denk alleen maar aan die tenen die zo raar opkrullen, en aan één voet zitten er maar vier. Daar kan ik niet tegen. Sta ik net op het punt het geheim des levens te ontdekken, mist er een teentje.
Hoe eenvoudig zo’n crucifix ook is, er zijn honderden dingen te bedenken die je kunnen afleiden. Hangen bij alle crucifixen het hoofd naar rechts en heeft dat een diepere betekenis? Kwam er nu echt ‘water’ uit zijn zijde en hoe kan dat? Hoe kan hij zo dun zijn als er tegelijk over hem wordt gezegd dat hij een ‘veelvraat’ was? Had hij werkelijk een kleed om zijn heupen, of is dat later erbij verzonnen?
Soms stel ik me een jongedame ergens in China voor. De directeur kent haar naam niet, alleen de jongedame naast haar weet hoe ze heet, maar ze heeft een pasje dat precies registreert wanneer ze binnenkomt en vertrekt. Dat is genoeg. Eén dag wegblijven betekent waarschuwing, de tweede dag is ontslag. Dat is sinds de nieuwe wetgeving, waar ze in de stad zo voor hebben gevochten. Daarvoor was het na één dag weg.
Ik zie een fabriekshal voor me met honderd naamloze dames en elke dag snijden ze twee of drie crucifixen. Soms missen ze een teentje, maar verder zien de beeldjes er precies hetzelfde uit. (‘Hand made’, dat verkoopt goed, Westerlingen willen authentiek; het voelt toch lastiger te bidden tot een plastic verlosser.) Hun handen maken dezelfde bewegingen als die van Jezus vroeger. Archeologen vinden nog houten speelgoed, en ook Jezus heeft ongetwijfeld voor zijn jongere broertjes en zusjes figuurtjes gesneden, en later voor de buurtkinderen die langskwamen, en misschien ook wel onderweg met zijn discipelen. Petrus had een vrouw, wellicht ook kinderen, en wat moesten die anders doen tijdens die lange toespraken?
En die Chinese fabrieksarbeidster, wat ziet zij? Dit is anders dan de staatspropaganda, die alleen loyale en succesvolle burgers toont. Dit is anders dan de Boeddha-beeldjes die ze kent en waar ze zo rustig van wordt. Dit is niet iets om naar uit te kijken of bij weg te zwijmelen. Dit is geen soap. Als dit in een soap kwam, zou er niemand meer kijken. In een soap werken ze nu nooit in een fabriek waar je na twee dagen ziekte wordt ontslagen. In een soap kennen ze je naam. En ik stel me voor dat deze Chinese vrouw soms naar de crucifix in haar handen kijkt, ze vijlt een knie, ze lakt een oog, en ergens sluimert een gedachte die haar meer troost dan een soap, en haar meer rust biedt dan een Boeddha-beeld. Het is de gedachte dat deze man die zich nu in haar handen laat vijlen en lakken, naast haar zou kunnen staan. Dat deze man, heel anders dan de soapsterren en de partijbonzen, net zo vast zich als haar, en iets van haar begrijpt.
Misschien doet het haar even denken aan die student, ook naamloos, die tijdens op het plein van de Eeuwige Vrede een rij tanks tegenhield, ook door zijn armen te spreiden. En dat is inderdaad wat hier gebeurt. Jezus spreidt zijn armen en stopt de eeuwige rij machines.
Een lauwerkrans van drie grappen
De dode man in mijn kamer heeft een soort lauwerkrans op zijn hoofd. De Romeinse keizers hadden zo’n krans op, afgeleid van de winnaars bij de Olympische Spelen, die na afloop werden gelauwerd. Het is zoiets als een gouden medaille. Ik kijk naar een geëxecuteerde met een gouden medaille om. Nee, het is ingewikkelder. Het is meer een medaille van chocolade. De lauwerkrans die Jezus opkreeg was niet van mooie bladeren, maar van doorntakken gemaakt, die op een stapel in de binnenplaats lagen, klaar voor een vuurtje. De Romeinse soldaten vonden het wel geinig om dit te vlechten voor iemand met zulke pretenties. In het christelijke symbool bij uitstek zitten kortom de resultaten van een practical joke. In elke kerk hangen de resten van een foute grap; er is denk ik zelfs geen bekendere grap, en deze soldaten zijn de bekendste naamlozen uit de geschiedenis.
En er is een bordje boven zijn hoofd getimmerd met vier letters erop, I.N.R.I. Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum, latijn voor Jezus de Nazoreeër, de koning van de Joden. Oorspronkelijk moet die zin er ook in het Grieks en het Hebreeuws hebben gestaan. Ook een grap, een dubbele zelfs, maar het is de vraag of de opdrachtgever ze allebei doorhad. Het bordje hangt er op last van de rechter, Pilatus. Hij noemt Jezus hier ‘de Nazoreeër’, als een soort achternaam, maar het is uitgesproken in provinciaal dialect. Het zou in onze oren klinken als ‘Jân uut Drante’ als Jan uit Drente werd bedoeld. Het contrast kan niet sterker zijn: Jân uut Drante is jullie minister-president. En hier hangt hij dan.
Maar kende Pilatus goed genoeg het Aramees om door te hebben dat hij dialect gebruikte? De meeste Joden zullen hun hoofd hebben afgewend van een gekruisigde. Je kijkt naar niet de resultaten van een wreed bezettingsleger. Maar sommigen die het zagen en het opschrift lazen, zullen even hebben geglimlacht. Wat was die gouverneur toch een sul, dat hij niet eens… – maar dan verbleekte de glimlach, omdat het vervolg van de zin een belediging was. Dít de koning van de Joden? Wat denkt die Pilatus wel? Ons koningshuis is uitgestorven, onze koning was David, onze koning was Salomo, maar sinds eeuwen hebben wij geen koning meer. Worden wij geleid door een gevluchte slaaf of iemand die een staatsgreep wilde plegen – want daarvoor was de kruisiging bedacht? Impliceert die Pilatus hiermee dat wij eigenlijk allemaal ontrouwe slaven en oproerkraaiers zijn?
Er wordt dan ook verteld dat de Joodse leiders meteen een correctie eisen. Er moeten een paar woorden worden toegevoegd: ‘Hij heeft gezegd: Ik ben…’ Daarmee zou het objectieve weer subjectief worden gemaakt. Jezus zou weer worden losgekoppeld van het Joodse volk en representeerde dat niet meer. Maar Pilatus weigert de correctie. Vergeet David, vergeet Salomo, vergeet het Sanhedrin. Dit is jullie leider en zo’n volk zijn jullie. Op het bekendste christelijke symbool is dus behalve de practical joke van enkele anonieme soldaten, ook een machtsstrijd van een verder onbeduidende gouverneur vereeuwigd. Ik ben de bezetter, zegt hij ermee, en jullie moeten naar mij luisteren, stelletje sukkelaars.
Maar op het beeldje op mijn kamer staat deze belediging als afkorting, I.N.R.I. Soms gebruiken we afkortingen om iets te verhullen. Z.s.m. klinkt net wat vriendelijker dan zo spoedig mogelijk, net als s.v.p. in plaats van s’il vous plaît. ‘Rest in peace’ is al een eufemisme, maar in kinderstrips is dat nog abstracter gemaakt tot R.I.P. De afkorting op mijn beeldje en in zoveel kerken is natuurlijk allereerst omdat hout te zwak is voor zoveel details, maar soms speelt er naar mijn indruk meer mee, want ook op ruime schilderijen staat het afgekort. Ik snap het ook wel. Wat moet je als niet-Jood, elke dag een afbeelding aanbidden waarboven staat: Dit is de Jodenkoning. Het lijkt jou uit te sluiten, en tegelijk de Joden opnieuw te beledigen. En toch vrees ik dat er minder Joden zouden zijn uitgeroeid, als dat I.N.R.I. stelselmatig uitgeschreven was, bij voorkeur in gewoon Nederlands, want ook buitenlandse talen gebruiken we vaak om iets te verhullen. Niets is zo’n krachtig signaal tegen antisemitisme als juist de crucifix. Hoe zou je immers een ras kunnen haten als je iemand aanbidt van datzelfde ras?
Christa van Nazaret
Er hangt geen dode vrouw in mijn kamer. Het christendom is niet vernoemd naar een Christa, en aanbidt niet Hanna van Nazaret. Christenen aanbidden een man. Geen enkele godsdienst is ooit opgericht door een vrouw, maar het kan me storen dat de christelijke religie hier niet uniek in is, en ik weet dat (vooral in het midden van de twintigste eeuw) er talloze vrouwen zijn geweest, die hierom het christelijke geloof hebben verlaten.
Ik stel me voor dat daar een vrouw hangt. Dat lange haar maakt het er iets gemakkelijker op. (Ook iets raars overigens, geen Jood had in die tijd lang haar. Zou dat lange haar later zijn verzonnen om hem feminiene trekken te geven?) Maar meteen weet ik waarom Jezus geen vrouw was. Ik denk dat nog veel meer vrouwen de kerk hadden verlaten. ‘Hier wordt de onderdrukte vrouw aanbeden,’ zouden ze hebben gezegd. ‘Hier wordt de vrouw weer in haar inferieure rol geduwd en de patriarchale samenleving bevestigd. Dit is het verheerlijken van vrouwenmishandeling.’ Wat je er ook van vindt, het is eenvoudig een waarneming dat mannen vaker in een leidinggevende rol zitten, vrouwen vaker in een dienende; hoeveel secretaresses zijn man, hoeveel topmanagers vrouw? De hele emancipatie zou onzin zijn geweest als de geschiedenis niet elk geslacht een specifieke rol had toegedicht, die pas in de laatste eeuw een beetje doorbroken werd. Een vrouw aan het kruis zou die rolverdeling alleen maar hebben bevestigd, terwijl een man aan het kruis juist de rolverdeling omgooit. Ik kan het me zelfs voorstellen als ultiem emancipatoir symbool: dit is een man die niet zijn macht misbruikt maar weet wat dienen is.
Soms benijd ik vrouwen, omdat de kerk immers in de bijbel met een bruid wordt vergeleken, op de ochtend van haar trouwdag. Jezus is dan de bruidegom, die alles voor haar over had, en elk moment haar ouderlijk huis in kan stappen. Het is een romantisch en gevoelig beeld, maar als man kan ik me maar lastig inpassen. Waar ben ik in het plaatje? Elke vrouw schijnt te dromen van haar trouwjurk, maar daar heb ik nooit van gedroomd. Ik heb een relatie met Jezus, in heb contact met hem, dat geloof ik inmiddels. Maar hij is voor mij meer een kameraad, dan een minnaar. Het christelijke geloof vraagt overgave, maar ik vind het lastig om me over te geven aan een man. De beeldentaal van de bijbel maakt het voor mij moeilijker een mystieke omgang met Jezus te vinden, terwijl de beeldentaal voor vrouwen heel uitnodigend overkomt. Er zit voor mannen zelfs iets heel strengs in de beeldentaal, omdat het immers een man is die gekruisigd werd en al zijn macht en invloed opgaf. Moet ik nu ook…?
En dan is er nog de erotiek. Mijn vrouw en de meeste vriendinnen van ons zijn het met mij eens dat het vrouwelijke lichaam interessanter en opwindender is dan het mannelijke. Er zijn natuurlijk mensen verliefd geweest op Jezus, vrouwen en mannen. Hij was charismatisch, vertelde meeslepende verhalen, had een avontuurlijk buitenleven. En hij was vrijgezel. Meer nog, hij was als religieus docent beschouwd, en een ongetrouwde rabbi was ongepast. Het is waarschijnlijk dat eerst Jozef, en toen die stierf wellicht oom Zacharias of moeder Maria, geregeld hints van de omgeving kregen. En ook in de hedendaagse geloofsbeleving van vrouwen kan soms iets erotisch meespelen, zie de mystieke gedichten van nonnen, en ik weet dat er vrouwen zijn die het uiterlijk van Jezus stiekem vergelijken met hun vriendjes of echtgenoten.
Toch zullen weinig mannen zullen ooit Jezus als concurrent hebben ervaren, terwijl ik me afvraag dat als we in een wereld zouden leven waarin manlief elke avond voor een vrouwelijke crucifix boog, hoeveel vrouwen dan zouden twijfelen of hij haar misschien aantrekkelijker vond. Ik vermoed dat wanneer Jezus als meisje was geboren, zij een sekssymbool was geworden. Ik kan niet peilen of dit in elke cultuur zou zijn gebeurd, maar wel dat de culturen die ik ken nu eenmaal zo werken; onze commercials lokken met vrouwen, op onze catwalks lopen vrouwen, in onze bushokjes hangen vrouwen. Nu is er niets mis met erotiek, het is precies een van haar prettige kanten dat zij alle aandacht wegzuigt, en daarom ook wordt het gebruikt in de reclame. Maar voor wie zoekt naar contact met God, is het ruis. Niemand wil een sekssymbool of concurrent aanbidden.
Een neger droeg het kruis
Er hangt ook geen neger in mijn kamer. Het zou natuurlijk, net als wanneer ik een gekruisigde vrouw zou ophangen, voor een politiek statement worden aangezien, en eventueel een verwijzing naar de Ku Klux Klan. (Een enkeling zou denken dat ik zelf sympathie had opgevat voor de Ku Klux Klan, en dat het kruis geen aanklacht was maar een ideaal.) Toch ben ik benieuwd wat er zou gebeuren als we een nieuwe beeldenstorm aanvangen, en bijvoorbeeld een eeuw lang Jezus nog alleen als negroïde man zouden afbeelden. Zou na die eeuw de wereld iets beter zijn?
Maar nu hangt in mijn kamer een dode man van het blanke ras. Ik heb een stuk of tien Jezusfilms gezien, en in allemaal is Jezus een Ariër, soms zelfs blond met blauwe ogen. De echte Jezus is niet zo rank geweest, maar in onze ogen tamelijk gedrongen, een beetje zoals de oudere gastarbeiders die je in de grote steden ziet rondlopen. Hun kinderen zijn al langer en hun kleinkinderen zijn al bijna even lang als autochtone Nederlanders. Maar Jezus heeft waarschijnlijk redelijk eenzijdige maaltijden gehad als kind en veel lichamelijk werk moeten doen. Dan kom je zelden boven de 1 meter 60. (En hij kan best een buikje hebben gehad, want hij werd slemper en veelvraat genoemd…) Maar los van lengte, heb ik nog nooit een Jezus gezien afgebeeld als orthodoxe Jood, een beetje bleke man met van die gitzwarte pijpenkrullen en de karikaturale haakneus.
Niemand kan zijn lichaamslengte veranderen of zijn haarkleur, heeft Jezus ooit gezegd, en wij hebben geantwoord: maar bij u kunnen wij het wel.
De lucht die Hitler ademde
Er ligt een verwarrende symboliek in het feit dat deze man timmerman is geweest en nu zelf aan hout gespijkerd is. Het is een zelfde soort ironie als bijvoorbeeld een automagnaat die overlijdt bij een verkeersongeluk. De soldaten die hem vastslaan, maken dezelfde bewegingen die hij een leven lang zelf maakte. Hij kent dit geluid van ijzer op ijzer, ting ting ting, spijkers die zich in hout wringen, hout dat langs hout schuurt. Alleen wordt nu niet een deurpost vastgeslagen, maar zijn lichaam. Wanneer begon hij te beseffen dat zijn einde zo zou zijn? Hoeveel spijkers heeft hij nog in hout geslagen, voordat hij wist dat er met hem hetzelfde zou gebeuren? Hoeveel kruizen stonden langs de wegen waar hij langs moest lopen?
Ik kan me voorstellen dat in een flits zijn geoefende oog het materiaal beoordeelde, de onwillekeurige impuls van een kenner, zelfs nu de pijn door al zijn cellen gierde. Ik herinner me van toen ik zelf dodelijk ziek was (lang verhaal, niet voor hier) dat je aan de raarste dingen kunt denken, dat je zelfs heel graag aan de raarste dingen wil denken. Er is een onweerstaanbare drang in je om eindeloos door te malen over een zinnetje op een ansichtkaart, of een grapje dat de zuster maakte, of wat je allemaal gaat doen als je het ziekenhuis uit bent. Alles om maar even niet te concentreren op de pijn. In de christelijke traditie wordt meestal de aandacht die Jezus geeft aan omstanders als een uiting van zijn grootheid gezien; zelfs in deze benauwdheid dacht hij nog aan andermans lot. Maar ik vermoed dat juist de momenten dat hij zijn pijn verwoordt, het meest van zijn grootheid getuigen, omdat hij daar echt alles moest laten aankomen en desondanks niet opgaf.
De tegenstelling van een timmerman die zelf aan het hout hangt, wijst naar het diepe mysterie van de christelijke godsdienst. Deze stamelt dat God naar de aarde gekomen is, dat zoiets te gek voor woorden is, maar dat ook gekken (dwazen) woorden hebben – dat degene die het heelal ontwierp, zichzelf aan dit heelal onderwierp. Waar hij eens mee speelde, werd hij nu speelbal van. Wat hij eerst in handen had, nam hem nu onder handen. Het is als een dichter die zelf zijn woorden wordt en mee gaat trillen met de lucht en meereist tot in de harten van zijn toehoorders. Hij kan niet meer van het podium af, hij kan niet meer vluchten, hij is losgelaten in de lucht en reist onverbiddelijk de ruimte in, kwetsbaar voor elke buiging, elk zuchtje wind, elke fluistering. Dit is het dan, hier gaat hij, er is niets meer aan te doen. Maar alleen zo kan hij, werkelijk hij, het hart van zijn geliefde bereiken.
Er gaat iets magisch uit van een crucifix op je kamer, ik moet het toegeven, zelfs voor een moderne Europeaan als ik. Je voelt je op een bepaalde manier beschermd, alsof boze machten jouw huis zullen overslaan op hun rooftochten. In vampierfilms als Bram Stoker’s Dracula kun je met een kruisbeeld vampiers tegenhouden, … net als het wijwater in bijvoorbeeld From Dusk Till DawnMaar tegelijk weet ik dat het maar een stukje hout is wat daar hangt. Uit dezelfde boom kan een Boeddhabeeld zijn gesneden, een naambordje, of zelfs het lemmet van een mes dat nog zal moorden. Ook van dezelfde boom waaraan Jezus hing, is meer gemaakt. Misschien sneed een soldaat er een paardje uit voor zijn dochter thuis, voor als hij eindelijk verlof zou krijgen. Misschien zal hij met dezelfde hamer als waarmee hij Jezus vastsloeg, ook een plank vastslaan aan het schip waarin hij terugvaart, en zal het precies daardoor niet zinken.
De crucifix doorbreekt dus tegelijk mijn magie. Het heelal wordt heilig als God bij haar binnentreedt, maar het heelal ontheiligt zich als zij God laat stikken. Geen christen zal ooit het timmervak heilig noemen omdat Jezus het beoefende, het werd immers ook zijn dood. Jezus werd in een houten trog gewiegd, maar ook aan hout gedood. Elk woord dat hij sprak, was al eerder door misdadigers gebruikt, en elke zin die we nog weten, is later misbruikt. De duivel in de woestijn sprak louter bijbelteksten… Ik zou de plaatsen kunnen bezoeken waar Jezus ooit is geweest, maar ik weet dat het ook de plaatsen zijn waar wij hem hebben laten lijden. Ik kan geen materie een speciale magie of heiligheid toewijzen. Lang haar is niet beter dan kort haar, een baard niet beter dan glad, als ik Jezus zou heten ben ik niet beter beschermd dan als ik Judas heet, in Jeruzalem ben ik niet veiliger dan in de rest van de wereld.
Jeruzalem! Plaats waar Jezus zijn intocht hield en waar hij een week later met een balk op de schouders weer uit strompelde. Waar de grootste poëzie is geschreven, maar waar ook de meeste zelfmoordaanslagen waren. De crucifix ontgoddelijkt de materie. De crucifix maakt het mij onmogelijk nog uit te wijken naar iets tastbaars. Het kan niet veilig zijn bij iets tastbaars, al het zichtbare heeft zich onbetrouwbaar verklaard. Het zichtbare heeft gekoesterd, maar ook uitgelachen. Het heeft geminnekoosd, maar ook misbruikt.
Een statisticus heeft me ooit voorgerekend dat bij elke ademteug er zeker 50 procent kans is dat we een zuurstofmolecuul inademen die Jezus ooit inademde. Die moleculen zijn er nog steeds, en hebben zich met alle lucht op aarde vermengd, zodat ieder levend wezen elke dag duizenden malen dezelfde molecule opzuigt als die de Gekruisigde ooit opzoog. Misschien maakt dat de wereld iets mooier, soms droom ik daarvan – dat de lucht die zijn heilige lichaam ooit aanraakte en nu ook de wereld streelt, langzaam ons zal helen.
En dan weet ik weer hoeveel kans er ook is, dat ik bij dezelfde ademteug een molecuul adem die Hitler ooit ademde.
Beetje scheef, zo, recht. En nu maar bidden...
Daar, dat is de plek. Of is hoger? Ja, iets hoger, dan is het mooi in evenwicht… Is het nu wel in het midden, iets naar rechts misschien… Ja, zo. Au! Dat was mijn vinger, dat deed gemeen zeer. En het spijkertje is krom. Nieuw spijkertje pakken, misschien pakt die niet omdat het gips van de muur… Nee, het werkt, je ziet gelukkig weinig van de eerste mislukte poging. Zo, en nu de crucifix ophangen. Ja, zo hangt het mooi. Beetje scheef, zo, recht. En nu maar bidden.
Wat hangen we normaal op aan een spijkertje? Een schilderij. Een foto van een geliefde. Een trofee van een reis. En nu dan een crucifix. Als we gaan verhuizen, past deze kleur misschien niet meer bij de rest van de inrichting. Zet ik ‘m op marktplaats en als dat niet werkt, zal ik ‘m in de kelder leggen, naast de tekeningen uit mijn jeugd. En ik zal ‘m uiteindelijk weggooien. Je kunt niet alles bewaren. Trouwens, als ik nog meer boeken koop, meer theologische boeken, is dit de enige muur waar nog een kast voor kan. Of iemand kan er tegenaan lopen en de crucifix valt kapot. ‘Dit is mijn lichaam, voor u gebroken.’
Een crucifix is weerloos. Theo Maassen kon een crucifix betasten en aflikken tijdens zijn laatste show. Er kwam geen bliksem uit de hemel, zoals hem zelf ook al opviel. ‘Kom dan van het kruis af, als je kunt, toe dan, als je Gods zoon bent!’ Maar ik heb nog nooit van een crucifix gehoord waar de Gekruisigde vanaf stapte. Het is niet voor niets crucifix, het is gefixeerd, het zit vast. Of nee, toch wel. In die videoclip Like a Prayer van Madonna, daar stapt een negroïde Jezus van het kruis af en danst met haar. En daar spraken we dan met z’n allen heel veel schande van. Maar stiekem, nee niet stiekem, hoop ik dat Jezus nu het kruis afstapt. Alle kruisbeelden blijven zo pijnlijk zichzelf, dat ene moment, 3 uur ‘s middags, 15 april, 33 n.Chr., voor eeuwig versteend. Wake up, dead man, wake up.
Er hangt een dode man in mijn kamer, maar dat is slechts een manier van spreken. Het is juister om te zeggen dat mijn kamer aan die dode man hangt. Hij is niet op de wereld geprikt, maar de wereld op hem, zoals de aardbol ook niet Atlas draagt maar Atlas de aardbol, en zoals Yggdrasil niet rust in de bodem, maar de bodem rust in Yggdrasil. Hij die zo weerloos is, is de kracht die alles bijeen houdt. En als hij van zijn plek komt, zal de wereld vallen en niet meer ophouden te vallen.