|
De denkers een denker
Waarom zou je aan apologetiek doen?
Door Reinier Sonneveld
Waarom zou je eigenlijk je religie gaan verdedigen, rationeel nog wel? Moet je het niet gewoon geloven, het heet toch niet voor niets geloof? En is het niet een teken van ongeloof als je God gaat proberen te bewijzen? Sterker nog, is al dat bewijzerige niet een subtiele vorm van geweld omdat het andere meningen inferieur acht? En kun je nog wel in deze postmoderne tijd aankomen met zoiets rationeels? Kortom, slaat apologetiek niet volledig de plank mis?
Ik denk van niet. In dit hoofdstuk zal ik een pleidooi houden voor een apologetiek die juist in Nederland aan het begin van de 21ste eeuw zinnig en gezond is. In zoverre apologetiek het verdedigen van een ideeëncluster is, is dit dus een ‘apologetiek van de apologetiek’. Hier vier argumenten pro, elk gekoppeld aan een contra:
1. Apologetiek komt spontaan op uit het ervaren van God
Laat ik meteen op de rem trappen. Want hoef ik de apologetiek eigenlijk wel verdedigen? In veel opzichten komt dat namelijk neer op het verdedigen van de zonsopgang of dat mensen twee benen hebben. Dat is zoiets natuurlijks en vanzelfsprekends dat het absurd lijkt om het te verdedigen.
Als puber was ik Beatle-fan – en dan hebben we het over de jaren 90. Je kunt je voorstellen dat er in mijn vriendenkring werd gegrinnikt. Mijn reactie was me te informeren met alle mogelijke fanboeken. Met die kennis ging ik terug naar mijn vrienden en betoogde hoe uniek de akkoordcombinaties waren die met name John Lennon gebruikte, hoe vernieuwend hun opname-technieken, hoe spannend de mysteries op de hoes van Sgt. Pepper, enzovoorts. En zowaar, dat werkte ook nog, een beetje. Maar mijn punt is nu dat ik dit automatisch ging doen, spontaan. Ik had iets in mezelf moeten onderdrukken om dat te kunnen laten, ik had een soort scheiding in mezelf moeten maken in de trant van: ‘Nee, muziek is echt alleen maar smaak, alleen maar gevoel, daar mag ik per se niet over redeneren.’ Het had me meer energie gekost niet over hen na te denken.
Zo zit het met geloven ook. Iemand die tegenwoordig nog begeesterd is over Jezus, is minstens even raar als een Beatle-fan in de jaren 90, en hij zal op allerlei niveaus reageren op de vragen die hij nu krijgt – emotioneel, relationeel, maar zeker als hij een denker-type is, ook op rationeel niveau. Je zou jezelf iets moeten verbieden om dat te laten en met tamelijk dwangmatige onderscheidingen moeten komen, zoals tussen kerkgang en laboratoriumwerk, tussen zondag en maandag, tussen ‘de kerk’ en ‘de wereld’, tussen religie en wetenschap. Alsof de kwaliteit van de Beatles ‘alleen maar smaak’ is. De kwaliteit van Jezus is ook niet alleen maar gevoel.
Kortom, als je een denker-type bent en het contact tussen jou en God is gezond, dan doe je allang aan apologetiek. En dit is vooral zo bij christenen. Juist die groep gelovigen voelt de drang hun geloof rationeel te verdedigen en bijvoorbeeld aan te tonen dat de evangeliën historisch correcte bronnen zijn of dat een tsunami het bestaan van God niet uitsluit. Een boeddhist, een Dionysus-vierder, een Jood of een Afrikaanse medicijnman zie je dat zelden doen. Het lijkt een specifieke trek van de christelijke religie, die hooguit benaderd wordt in de Islam. Juist christenen lijken op Beatle-fans die spontaan met theorieën komen over het object van hun enthousiasme. Waarom past dit zo bij deze religie?
Omdat de christelijke God niet alleen een sub-god is van bijvoorbeeld het geld, de zon, het graan of Nederland, maar hij is de heerser van het heelal. De meest kernachtige christelijke geloofservaring is niet ‘Jezus maakt me rijk / blij / gezond / gezellig’, maar ‘Jezus is Heer’. Over alles. Ook over de logica. De logica is dan niet meer een zogenaamd neutraal instrument dat een mens naar believen kan toepassen, maar God is ook eigenaar van de logica. En zoals hij zijn geld aan ons uitbesteedt en wij rentmeesters zijn van zijn geld, zo geeft hij ons ook de logica en zijn wij rentmeesters van zijn logica.
Dat is wat we in dit boek willen stimuleren, om bekwame rentmeesters van de logica te zijn. Een christen ‘wijdt’ zijn stem aan God bij het zingen, wijdt zijn geld aan God als hij het verstandig verdeelt, en hij wijdt zijn logica aan God als God daarin centraal staat:
‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.’
Dit zegt Jezus (Marcus 12:30) en hij citeert daar uit de Joodse Torah (Deuteronomium 6:5) waarin echter dat ‘verstand’ nog niet wordt genoemd. Het is een van de innovaties van Jezus waarmee het hij het gebod nog totaler maakt. Hij verwoordt zo de kern van de christelijke spiritualiteit, namelijk dat God meer en meer je leven binnendringt en je overneemt, maar dat je juist dan steeds meer jezelf wordt. Je weet dat je met heel je hebben en houden van God bent, en dan is het alleen maar genieten als je merkt dat Jezus ook in je redeneringen kan doordringen en ook daar blijk geeft van zijn schoonheid.
Daarmee wordt apologetiek ‘terug veroveren’. Heel de wereld is al van God, maar is dat vergeten, en apologetiek dient ertoe het diepste geheugen van de homo sapiens op te frissen. Dit verwoordt de eerste christelijke theoloog al, Paulus, in een passage die even provocerend als nederig is (2 Korintiërs 10:3-6):
‘We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen namelijk niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen.’
Juist de christelijke God heeft zich uitermate kwetsbaar gemaakt door zich mensvormig te uiten, eerst in menselijke metaforen, later ook letterlijk vlees en bloed. Hij is God die zich niet alleen in eeuwige waarheden en wijsheden uit, maar ook DNA wordt middenin de geschiedenis. En zoals hij griep kon krijgen toen hij mens was en zelfs kon sterven, zo heeft hij zich ook in zekere zin onderworpen aan de menselijke taal. Hij sprak woorden maar was ook zelf het Woord. Calvijn zou zeggen dat God zich ‘antropomorfisch’ openbaart, mens-achtig, en daarin aan onze zwakheid tegemoet komt. Menselijke taal kent orde en logica, en als God zich aan ons kenbaar wil maken, zal hij dat ook gedeeltelijk in ordelijke, logische taal doen. Moeten doen zelfs.
Maar dan nu een eerste contra. Want ik zeg nu wel, dat uit het enthousiasme over God spontaan het verdedigen van hem voortkomt, maar uit datzelfde enthousiasme volgt even spontaan het voornaamste bezwaar. Ik zal God nooit gaan verdedigen als hij niet eerbiedwaardig is, maar juist die eerbiedwaardigheid maakt dat ik mijn mond sluit. Is hij niet te groot voor mijn mensenwoorden? Als hij mij zo overstijgt, wat kan ik dan nog bewijzen? Heeft God het wel nodig om verdedigd te worden?
Nee. Maar dit is geen bezwaar tegen de apologetiek zelf, maar tegen een ontspoorde variant ervan. Sommige apologetiek wil inderdaad God laten gehoorzamen aan de eigen rationele en tijdsbepaalde criteria. De rede komt dan hoger dan God te staan en bepaalt wat God wel en niet zou mogen zijn. Ik denk dat sommige vormen van de uitverkiezingsleer dit deden en nog steeds bepaalde vormen van biblicisme. Creationisme is naar mijn indruk (maar hier laat ik me van harte in corrigeren) een apologetiek waarin God moet gehoorzamen aan een modernistisch bijbellezen dat pas na de Verlichting is ontstaan. Het wil de bijbel in haar eigen leesmethodes persen, maar de bijbel is daarvoor te weerbarstig.
Apologetiek is altijd ‘achteraf’. Je schrijft geen liefdesgedichten om een vrouw te scheppen, maar je ontmoet een vrouw en dan barsten de liedjes los. Geen liefdesgedicht kan van een blondine een brunette maken, en geen apologetiek van God bijvoorbeeld een afstandelijke horlogemaker. Je zou een afstandelijke horlogemaker niet eens willen verdedigen. Een God die verdedigd moet worden is dat niet waard. Je verdedigt God alleen maar omdat hij niet verdedigd hoeft te worden. Je prijst niet iets wat je in je broekzak hebt. God willen bewijzen is zoiets als het bouwen van een brug naar de zon. Al zou je al het metaal van de aarde verzamelen, je komt niet eens tot de maan. Alle woorden van de mensheid brengen ons niet bij God. God moet bij ons komen.
Apologetiek is pas gezond als God boven de rede blijft. De rede kan naar hem verwijzen, we kunnen aanwijzingen voor hem vinden, maar zo gauw die de ambitie van bewijzen krijgen, krijgt de rede te veel eer en moeten we pas op de plaats maken. Een strakke bewijsvoering zal alleen een godje bewijzen, een sub-god die is uitgeleverd aan het filosofische discours van een specifieke cultuur. God komt naar ons toe, niet wij naar hem met onze bewijzen. Geloven begint bij God, apologetiek is daar achteraf rationele taal aan geven.
2. Apologetiek doet recht aan onze ervaringen
Op naar een tweede pro in mijn pleidooi voor een gezonde apologetiek. Om die duidelijk te maken, moet ik beginnen met tien ‘algemene intuïties’. Dit zijn gedachtes die zelden expliciet worden gemaakt, maar waar vrijwel iedereen van uitgaat en die een voorwaarde vormen voor al het denken:
1. Mijn leven is zinvol genoeg om door te gaan.
2. Het is zinnig te spreken over personen, met een eigen identiteit.
3. Ik heb een bewustzijn en daarmee enige controle en verantwoordelijkheid over wat ik denk.
4. Mensen hebben een vrije wil en kunnen daardoor zinvol veroordeeld worden als we iets verkeerd hebben gedaan.
5. Er zijn normen en waarden die niet relatief zijn; vrouwenbesnijdenis bijvoorbeeld is absoluut verkeerd.
6. Ik kan vergaand mijn eigen en andermans zintuigen vertrouwen.
7. Als ik iets beredeneer heeft dat enig verband met de werkelijkheid.
8. Als ik spreek met iemand is er reëel contact mogelijk.
9. Sommige gebeurtenissen kunnen gewoon geen toeval zijn, maar moeten wel van een hogere macht komen.
10. Iets heeft altijd een of meer oorzaken.
Mijn stelling is nu dat elke vorm van seculier denken verscheidene van deze intuïties expliciet ontkend, maar impliciet even hard weer verondersteld, en zo dus innerlijk vastloopt. Neem bijvoorbeeld nummer 8, dat onze taal enig verband houdt met een werkelijkheid. Ik stel me Jacques Derrida voor, postmodern filosoof, die net een lezing heeft gehouden waarin hij beweerde dat alle taal slechts naar taal verwijst en we leven in een soort gevangenis van woorden die alle werkelijke betekenis afsluit. Naderhand gaat hij wat drinken met enkele adorerende studenten en hij bestelt een rode wijn. En krijgt witbier. Wat kan hij nu zeggen?
‘Ik had rode wijn besteld.’
‘Maar dat is dit toch?’
‘Bent u nu barman? Dit is witbier!’
‘Nee meneer, volgens mij, helemaal mijn persoonlijke mening hoor, is dit rode wijn.’
Oftewel, Derrida kan wel beweren dat woorden slechts naar woorden verwijzen, maar binnen een minuut nadat hij zijn studeerkamer uitstapt, ontkracht hij de bewering zelf. Veel ideeën kunnen wel gedacht worden maar niet geleefd. Het bekendste voorbeeld daarvan is: ‘Ik lieg altijd en alles wat ik zeg is onwaar.’ In die kronkel ligt elke vorm van seculier denken, noodzakelijkerwijs, omdat dit het grootste en invloedrijkste onderdeel van de werkelijkheid niet kan verdisconteren, namelijk God. Het resultaat is dan een denkstelsel dat in dat spelprogramma Get the Picture niet meer dan één plaatje wil zien.
‘Stop maar, ik weet het al. Een wiel, het is een wiel!’
Het christendom wacht even en ziet nu ook de context, het grotere plaatje.
‘Een wiel alleen is niets. Kijk, het is een auto.’
Een ander voorbeeld, over nummer 1, de intuïtie dat het leven zinvol is. Het heeft me altijd verbaasd dat denkers als Jean-Paul Sartre zonder met hun ogen te knipperen konden beweren dat het leven, zeg, ‘een rimpeling in de eindeloze zee van het niets’ is, en dan toch zulke dikke boeken bleven schrijven. Het idee dat het leven zinloos is kan niet geleefd worden. Als je dat werkelijk gelooft, stop je met leven. Viktor E. Frankl, een grote psychotherapeut, leerde zijn belangrijkste levenslessen in een serie concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog. Hij merkte dat er precies één ding was waarmee je kon voorspellen of iemand snel zou sterven: als iemand de hoop had verloren en geen doel meer in het leven had: ‘Een gevangene die niet langer in de toekomst – zijn toekomst – geloofde, was ten dode gedoemd… Meestal gebeurde dit vrij plotseling in de vorm van een crisis, waarvan de ervaren kampbewoner de symptomen maar al te goed kende… Hij bleef gewoon liggen en verroerde zich niet… Hij bleef liggen waar hij lag, in zijn eigen excrementen, en niets kon hem nog deren.’ Dat is niet bepaald het einde van Sartre geweest. Ik zie het ook Bas Haring niet gebeuren, een atheïstische hoogleraar uit Leiden. Hij vertelde me in een discussie, zelf verbaasd, dat hij hoopt. ‘Hoe kom je daarbij?’ vroeg ik hem, ‘Ontkracht niet alles wat je denkt die hoop?’ Hij haalde zijn schouders op: ‘Waarom ik hoop, dat weet ik ook niet. Ik hoop gewoon, dat is er nu eenmaal.’
Dat is de geschiedenis van het seculiere denken. Het is een vorm van denken die mijlenver van de gewone intuïtie is afgedwaald, terwijl de christelijke religie wel op straat overeind blijft – en juist op straat. Voor elk van die tien ervaringen die ik noemde, heeft het christendom al eeuwenlang een helder inzicht die ze inkaderen, verklaren en ruimte geven. Bij nummer 8, dat er zoiets als betekenis bestaat, heeft bijvoorbeeld Descartes al betoogd dat als er God is, ik ook mijn zintuigen kan vertrouwen, omdat deze God betrouwbaar is en hij ons niet in een zieke droom zal laten leven, in een soort Matrix. En nummer 1, dat het leven zin heeft, is al even diep verankerd in het christelijke wereldbeeld, omdat je alleen zo kunt begrijpen dat ook wie ongezien is, door God gezien wordt, en zelfs de naamlozen door hem gekend zijn. Apologetiek is zo een dienst aan de wetenschap omdat het ons verstand verheldert.
Verheldert? Is het niet ook een diep-christelijke ervaring dat ons verstand verduisterd is? Dat is wel een contra die nu besproken moet worden. Ons verstand is ‘besmet’ omdat het gebruikt wordt door mensen die ‘besmet’ zijn. Denken is geen neutraal terrein waar de zonde geen invloed zou hebben. Zoals de een met een mes zijn brood smeert en de volgende met hetzelfde mes iemand kan doodsteken, zo kunnen denkers ook met dezelfde logische gereedschappen tot totaal verschillende conclusies komen. Mensen hebben altijd belangen, doelen, interesses, beperkingen, fascinaties, waarmee we onze logica vervormen. En daarbij is het ook maar de vraag of het logische instrumentarium zelf zo neutraal is.
Mijn reactie op dit bezwaar is dat we dan wel consequent moeten zijn. Want ook onze akkoordenschema’s zijn ‘verduisterd’, ook ons pianospel, ook ons gevoel, ook onze stembanden, en noem maar op. Er is geen immuun terrein, in alles kan de zonde zijn invloed laten gelden. Inderdaad ook in het verstand, maar daar niet speciaal méér, er is niet een soort extra gevoeligheid voor de zonde in de ratio. Tegelijk kunnen gefascineerde mensen, mensen die enthousiast zijn over God en van hem genieten, het niet laten toch hem te prijzen – met hun beperkte akkoordenschema’s, pianospel, gevoel, stembanden – en verstand.
3. Apologetiek is geen geweld maar voor deze wereld
In deze paragraaf zal ik een stuk langer stilstaan bij het derde bezwaar, omdat deze het meest wordt gehoord. Elke christen kreeg wel eens dit voor de voeten geworpen: ‘Prima dat jij gelooft, maar dring me niets op. Gelovigen zijn vaak zo arrogant en intolerant.’ En voor je het weet wordt er weer gewezen op de kruistochten en de heksenjachten, Mohammed B., de Jihad en ‘al die godsdienstoorlogen’. Het is een van de grote waarheidsclaims van deze tijd: dat grote waarheidsclaims per definitie anderen uitsluiten en uiteindelijk ook tot geweld leiden.
Dit culturele cliché is wereldwijd gezien nogal zeldzaam en is ook onjuist. Het grootste probleem eraan is dat het geen onderscheid maakt tussen de verschillende soorten grote waarheidsclaims. ‘Alle Joden zijn minderwaardig’ leidt uiteraard op een dag tot geweld. Maar ‘Alle Joden moeten op een gouden schild de stad door worden gedragen’ wellicht al een stuk minder. De vraag is dus niet of het christelijke geloof sterke waarheidsclaims kent, maar welke precies en hoe sterk die op geweld dan wel vrede aandringen. Hoe ‘explosief’ een wereldbeeld is, kun je hieraan meten:
A. Hoeveel ideeën in het wereldbeeld keuren geweld af en dringen aan op vrede, en hoe sterk doen ze dat?
Maar dan ben je er nog niet, omdat mensen geen slaven van hun wereldbeeld zijn. We kunnen nog zulke sterke ideeën hebben over, noem eens wat, dat je het milieu moet sparen, maar je zou niet de eerste milieuactivist zijn die op een dag toch die grote stinkbak koopt. De volgende vraag wordt dus:
B. Hoeveel mogelijkheden geeft dit wereldbeeld om je eigen zin te doen en niet te luisteren naar de vredelievende ideeën?
Laat ik met deze twee vragen in de hand het christendom onderzoeken op haar ‘explosiviteit’:
A. Het christendom kent, dat is overduidelijk, sterke waarheidsclaims. En sterke waarheidsclaims zijn inderdaad nodig voor geweld, of om preciezer te zijn, de hiërarchie erin. Alleen als je iets werkelijk superieur vindt en iets anders inferieur, kun je geweld toepassen. Dat gebeurt niet altijd, maar die hiërarchie is wel een voorwaarde. Als je er bijvoorbeeld over twijfelt of je die knetterende muziek van je buurman überhaupt wel of niet irritant vindt, zul je hem uiteindelijk nooit een dreun verkopen. Je moet op z’n minst zeker weten dat zijn metalmuziek verschrikkelijk inferieur is.
De vraag is nu hoe je het gewelddadige van sterke hierarchieën voorkomt. De impuls van de postmodernist is: ‘Weg met al die waarheidsclaims! Het is een kwestie van smaak, laten we elkaar tolereren.’ En dat werkt inderdaad een tijdje. Maar wat als die buurman jouw schitterende Bach-muziek minacht, op een dag bij je naar binnen stormt en fanatiek op jouw collectie begint te springen? Is het dan nog effectief om te zeggen: ‘Och, ieder zijn mening’ of ‘Ik weet niet zeker of ik dat wel erg vind’? Ik bedoel dit. De grote religies doen stuk voor stuk forse waarheidsclaims, en dat kan inderdaad tot geweld leiden, zo bewijst de geschiedenis, want elke religie heeft zijn godsdienstoorlogen gevoerd en rechtgepraat, geen enkele uitgezonderd. Wat meer twijfel was gedienstig geweest en had heel wat bloedvergieten voorkomen. Een punt voor de postmodernist. Toch is die twijfel in de verste verte geen totaaloplossing en zal een gebrek aan sterke waarheidsclaims uiteindelijk juist tot meer geweld leiden. Denk aan de Tweede Wereldoorlog. Welke zin had toen nog twijfel over of Hitler fout was? Moesten we maar doen alsof nazisme bij die cultuur hoort en we daarover niet mogen oordelen? Als het geweld er al is en het te laat is voor preventie, helpen alleen nog sterke waarheidsclaims. Alleen de kracht die nodig is om geweld te veroorzaken, is sterk genoeg om geweld te overwinnen. Alleen een sterk idee over de superioriteit van democratie en vrijheid kon een Hitler verjagen, zelfs al moest het een oceaan oversteken. Maar inderdaad, precies die sterke ideeën over democratie en vrijheid waren zestig jaar later een impuls voor een nieuwe oorlog, die in Irak.
Twijfel is dus in zekere zin preventief, maar als er eenmaal agressie is, is het een lege huls. Dan wordt het zelfs een eigen vorm van agressie omdat het slachtoffers in de steek laat. Waarheid, harde waarheid, is het enige wat slachtoffers nog hebben. Ze hebben hun familie verloren, hun eigenwaarde, hun macht. Het laatste wat nog over is, is de volstrekte zekerheid dat hun inderdaad onrecht is aangedaan, als historisch hard feit, en dat dit bestraft moet worden. Terwijl het laatste wat de daders dan nog hebben is vervallen tot retoriek – denk aan het archetypische beeld van de advocaat die net zolang praat tot de grootste crimineel weer vrij is. Juist relativisme wordt dan een directe daad van geweld: ‘Och, incest, dat ligt er maar net aan hoe dat geïnterpreteerd wordt. Misschien wordt het in bepaalde subculturen wel heel anders beleefd. Weet je het wel zeker dat je het zo vervelend vond?’ Deze wereld zal niet beschermd worden door zwakke ideeën over waarheid, maar alleen door grote ideeën over vrede.
Groot zijn de ideeën van het christendom in elk geval wel, maar hoezeer dringen ze aan op vrede? Dat kun je meten aan haar voorbeelden. De voorbeelden van een wereldbeeld belichamen waar dat wereldbeeld als geheel naar streeft. Zij zijn als het ware de magneten waar al het ijzervijzel van je gedachten naartoe buigen. Welnu, als het gaat om vredelievendheid heeft het christendom een ongelooflijk krachtig voorbeeld, namelijk Jezus. Sowieso is hij een voorbeeld van de hoogste categorie, omdat hij God vertegenwoordigt en God staat in een wereldbeeld voor het beste en mooiste wat dat wereldbeeld zich kan voorstellen. Niets is dus zo indringend en ‘magnetisch’ voor je gedachten als een voorbeeld die God wordt genoemd.
En welke idealen blijkt deze God vervolgens aan te trekken? De ultieme omkering van geweld. Nergens zul je een Allerhoogste vinden die niets anders opoffert dan zichzelf. Hij voegt geen enkel geweld toe, maar zuigt als het ware al het geweld in zich op, en dat niet als willoos slachtoffer maar als actief, kiezend persoon. Overal, in elk wereldbeeld, zal per definitie een hiërarchie ontstaan, het een is minder belangrijk dan het andere, en als er gekozen moet worden, zal dat lagere worden opgeofferd, of dat nu het milieu is, de intellectuelen of de buitenlanders. Maar in het christendom vinden we een radicale omdraaiing van dit patroon, omdat de Allerhoogste zichzelf in de inferieurste positie plaatst. Daarmee wordt elk geweld in naam van deze religie absurd. Hoe kun je ooit een kruistocht voeren in de naam van de Gekruisigde? Dat is toch net zoiets als Amerikaanse tanks dopen met de naam ‘Vietnam’. Hoe kun je ooit vechten in naam van het Lam? Dat is zoiets als een veldslag leveren met in de vlag een lief konijntje.
B. Dan wordt vervolgens de vraag hoe gemakkelijk de aanhangers van het wereldbeeld onder hun eigen wereldbeeld uit kunnen komen. Hoe eenvoudig is het om hypocriet te leven en je eigen zin te doen? Geen enkel wereldbeeld kan haar belijders dwingen, maar je kunt haar wel beoordelen op haar inspirerende kracht.
Ook hier blijkt het christendom weer uitzonderlijk krachtig. Aan krachtige waarheidsclaims ontkomt je namelijk minder gemakkelijk dan aan relativisme. Relativisme is bij uitstek een aandringen op het doen van je eigen zin. ‘Dat bepaal ik zelf wel’ – en de eerste dreun is verkocht. Alleen mensen met een sterk idee over vergeving, zullen hun woede op cruciale momenten kunnen beheersen. Verder biedt het christendom een zeer samenhangend wereldbeeld, waarin alle onderdelen uiteindelijk naar Jezus verwijzen. Een dader kan altijd wel in een uithoek van elk wereldbeeld iets van zijn gading vinden, maar hoe samenhangender een wereldbeeld zich richt op vrede, hoe lastiger dat gaat. Dat is de vredelievende taak van de systematische dogmatiek.
En dan is er het laatste oordeel. Hierdoor is er geen ontsnappen meer mogelijk voor de geweldplegers. Wat kan een moordenaar meer op de hielen zitten dan het beeld van een eeuwige God die hem altijd en overal ziet en uiteindelijk ter verantwoording zal roepen? Ik denk dat het geloof in de hel meer onrecht heeft voorkomen dan enig ander idee. Essentieel hierbij is dat een ander dit laatste oordeel uitvoert. Neem weer dat voorbeeld van die nare metalmuziek van je buurman. Als jij een kind bent, kun je nog zo inferieur denken over metalmuziek, maar je zult eerst naar je ouders moeten stappen en het uiteindelijk aan hen overlaten. Je ouders zijn een soort bliksemafleider voor jouw oordelen, want zij hebben het laatste oordeel. Dat is de situatie in het christendom. De hoogste oordelende instantie is niet jijzelf, of iemand anders, maar God. Dat kan niet anders dan geweld verminderen. Geweld plegen is dan namelijk een teken van ongeloof en het niet serieus noemen van Gods oordeel. Een terrorist gelooft dat God het zelf niet afkan en is daarmee een kleingelovige die zijn eigen theologie wantrouwt. Hij heeft zijn vertrouwen in ideeën gesteld in plaats van op God. Een idee over de superioriteit van de islam, de pro life-beweging, Europa, het christendom. Maar in het christendom is niet een idee het hoogste maar een Persoon. Jij kneedt je ideeën naar je believen, maar een Persoon kneedt jou. Dan zul je altijd nederig moeten blijven in je ideeën, want hij ontneemt jou het laatste oordeel.
Dit is mooie theorie, maar werkt dit ook zo in de praktijk? Elk wereldbeeld laat z’n sporen na als het trouw wordt nageleefd. De twintigste eeuw was de eeuw waarin het atheïsme zijn kans heeft gekregen, zijn enige kans naar het zich laat aanzien, en dat is nogal uit de hand gelopen. Hitler, Stalin en Mao hebben samen meer dan 200 miljoen doden op hun geweten waarvan velen met nadrukkelijk antireligieuze motieven. Dat is veel meer dan enige religie ooit deed, ook relatief gezien, want geen wereldbeeld heeft per aanhanger zoveel moorden veroorzaakt. Het christendom is echter volgens zo’n berekening het meest vredelievend. De drie tegenpolen van de twintigste eeuw waren dan ook alledrie religieus en sterk geïnspireerd door de Bergrede: King, Gandhi en Teresa. Zij leefden consequent dat (reeds geciteerde) adagium van de voornaamste christelijke theoloog en voorbeeld:
‘We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld.’
Vandaar dat ik liever dit derde contra omkeer in een argument pro apologetiek. Het christendom is uiteraard in een fractie van de wereld, West-Europa, in haar nadagen, maar het heeft daar een geweldige erfenis nagelaten waar elke Westerling nog elke dag de vruchten van plukt. De voornaamste waarden die abusievelijk worden toegekend aan de Verlichting zijn rechtstreeks geïnspireerd op de revoluties van Jezus, zoals de gelijkwaardigheid van alle mensen. En alleen al door onze relatief stabiele (en gelukkige!) huwelijken geven christenen een geweldig kapitaal aan deze samenleving. Waar gewoonlijk 1 op de 3 huwelijken strandt, is dat in een traditionele kerk een stuk minder, waardoor onze kinderen gemiddeld gelukkiger zijn, een hogere opleiding genieten, minder crimineel zijn, minder psychische en lichamelijke klachten ontwikkelen, en ten slotte ook zelf weer minder scheiden. Hiermee besparen we Nederland jaarlijks honderden miljoenen aan allerhande kosten.
Dat heeft de christelijke apologetiek aan deze wereld te bieden. Het bevrijdt haar uit haar culturele vooroordelen en biedt haar zo keuzemogelijkheden. Deze wereld zit bijvoorbeeld vast in een idee dat levenslange trouw niet kan omdat ‘mannen nu eenmaal jagers zijn’. Elk stabiel huwelijk is daarmee een vorm van apologetiek omdat het dat vooroordeel doorbreekt en mensen vrij maakt om dichter bij zichzelf en hun verlangens te leven. Het is een tegen-hypothese dat het misschien toch wel kan, die eeuwige trouw, en dat het cynische wereldbeeld wellicht niet klopt.
4. Apologetiek is inburgeren om zo de cultuur te bevrijden
De apologetiek zal er in iedere subcultuur en generatie weer anders uitzien. Het is een uitermate flexibele en zelfs pragmatische strategie om mensen te bevrijden, maar dan door in te burgeren (1 Korintiërs 9:19-23):
‘Vrij als ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen geworden om zo veel mogelijk mensen te winnen. Voor de Joden ben ik als een Jood geworden om hen te winnen. Ikzelf sta niet onder de Joodse wet, maar toch heb ik me eraan onderworpen om hen die er wel onder staan te winnen. En voor hen die niet onder de Joodse wet staan, ben ik als iemand geworden die de wet niet heeft, om hen te winnen. Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te winnen. Ik ben voor iedereen wel íets geworden, om in elke situatie althans enkelen te redden. Ik doe alles voor het evangelie.’
In de traditie is dit terecht samengevat als ‘de Joden een Jood, de Grieken een Griek’, en daaraan kun je gerust toevoegen: de denkers een denker. Dat inburgeren is een taak voor elke christen, elk met zijn eigen bagage. We kunnen deze wereld niet laten stikken en moeten alles op alles zetten om ‘althans enkelen te redden’. Als daar logica voor nodig, prima. Wij zijn niet afhankelijk van de logica, wij hoeven God niet te bewijzen, maar als dat onze context is, oké, wij doen van harte mee.
Dat is wat mij betreft de kern van dit hoofdstuk. Rest mij nog een laatste bezwaar, namelijk de vraag of wij nog wel zo logisch ingesteld zijn. Ik beweer nu wel dat we ons aanpassen als we aan apologetiek doen, maar hebben verstandelijke redeneringen in onze cultuur niet elke kracht verloren? Hadden niet net ontdekt dat we ‘postmodern’ waren en dat het allemaal om gevoel en intuïtie draait?
We zijn echter minder postmodern dan we denken. Laat ik een sprookje vertellen. Er was eens een eenzame koning die zijn invloed voelde tanen. Niemand kwam meer in zijn paleis, er was geen muziek meer, en zijn volk leefde er maar op los. Op een dag besloot hij zijn land door te trekken op zoek naar aanhangers. Dat viel hem reuze mee. ‘Kijk,’ zei hij tegen zijn enige lakei, ‘Die vrouw heeft ook een rode jas, net als mij, zij moet wel van mij houden. En kijk, die man sprak zonet in dezelfde taal als mij, dat moet wel een trouw dienaar zijn. En kijk…’
De clou zal duidelijk zijn. Het woord ‘postmodern’ wordt zo te pas en te onpas overal aan gekoppeld, dat het elke betekenis verliest. Wil je überhaupt iets analyseren, moet je een begrip redelijk helder en consequent toepassen. De tegenwerping dat het juist postmodern is het woord postmodern zo vaag te gebruiken, is hetzelfde als zeggen dat het ‘typisch Nederlands’ is om oren en een neus te hebben. Je bent niet meteen postmodern als je bijvoorbeeld vragen stelt bij de mogelijkheden van techniek of wetenschap. Dat kan ook gewoon boerenverstand zijn. Al ver voor Jean-François Lyotard werden er vragen gesteld aan de mogelijkheden van techniek (Job 28; Jesaja 22:8-11; Prediker 3:6,11; Jeremia 2:13) en wetenschap (Prediker 7:23-24,29; 8:16-17). Er wordt teveel postmodern genoemd wat een heel andere bron heeft en er hooguit wat trekken van heeft. Als een piano familie is van de zebra omdat ze toevallig allebei zwart-witte strepen hebben. Het is alleen zinnig om iemand postmodern te noemen als diegene zich bewust afzet tegen het modernistische project en zich daarbij laat inspireren door postmoderne denkers.
Sociologen, filosofen en theologen zijn gewend in enkele ferme woorden een hele cultuur te duiden. Maar hoe kunnen we hardere gegevens over een cultuur verwerven? Wat peilt de stemming van een volk?
Bijvoorbeeld de politieke interesse van dat volk. Wellicht kon je de paarse kabinetten nog postmodern noemen, door die rare combinatie van PvdA en VVD, inmiddels zijn dat soort samenstellingen ondenkbaar geworden. De SP links en TON en PVV rechts zijn de meest mediagenieke politieke krachten, en aan die partijen is niets postmoderns aan te ontdekken. Net als aan het huidige kabinet. Misschien in een flank van de PvdA, maar zeker niet als omvattende, allesbepalende stemming.
Ook op de universiteiten blijkt het postmodernisme vrijwel elke inspirerende kracht verloren. Nog een paar professoren bijvoorbeeld bij antropologie en enkele talenstudies laten zich er nog door leiden, maar de grote denkers van het postmodernisme zijn inmiddels overleden of gestopt met publiceren, terwijl de denkers die momenteel groot worden geacht en spraakmakend zijn, geen van alle postmodern zijn, zoals George Steiner, Jürgen Habermas, Charles Taylor, Gianni Vattimo, Roger Scruton, Peter Sloterdijk en Francis Fukuyama. Als de universiteiten in enige mate een thermometer zijn van een samenleving, dan zegt dit genoeg. Zelfs in de hele top 50 van grote denkers komt geen enkele postmodernist meer voor, hoewel ze wel bijna allemaal enkele vondsten eruit hebben meegenomen. Maar daarna moesten we verder.
Apologetiek blijft dus zinvol en aansprekend. Ik zeg niet dat er helemaal niets postmodern is aan onze samenleving, maar dat het een weinig adequaat woord is om haar te typeren. Democratisch, meritocratisch, liberaal, kapitalistisch, ervaringsgericht, dat zijn woorden die meer zeggen en beter kloppen. Bovendien is zelfs de rasechte postmodernist nooit consequent postmodern en deels gevoelig voor logica, orde, overzicht. Als Derrida zijn salarisstrookje zag, wist hij uitstekend wat erop stond en had hij weinig behoefte dat te ‘deconstrueren’. Grote delen van deze maatschappij worden volgens logische principes vormgegeven, niet alleen de hele ambtenarij, de hele commerciële sector, maar evenzeer de geneeskunde, de hele wetenschap, de hele techniek – en daarmee hebben we al bijna alle beroepen genoemd. Het grootste deel van de dag zijn de meeste Westerlingen met redelijke zaken bezig. Natuurlijk zijn we meer dan dat, we zijn ook gevoel, ook intuïtie, ook ervaringen, ook verhalen – maar dat rationele deel van ons stelt ook vragen, en die zullen we, zo nederig en tegelijk zo adequaat mogelijk, moeten beantwoorden. Dat is de denkers een denker zijn.